1. Het Dagelijks Bestuur zendt jaarlijks vóór 15 april van het jaar
voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële
en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van
de deelnemende gemeenten
2. Het Dagelijks Bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat
zij aan het Algemeen Bestuur wordt aangeboden, toe aan de raden van de
deelnemende gemeenten.
3. De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de besturen van de
deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van de
kosten algemeen verkrijgbaar gesteld.
4. De raden van de deelnemers kunnen binnen zes weken na toezending van
de ontwerpbegroting het Dagelijks Bestuur van hun zienswijzen doen
blijken. Het Dagelijks Bestuur voegt de commentaren waarin deze reactie
is vervat binnen twee weken bij de ontwerpbegroting zoals deze aan het
Algemeen Bestuur wordt aangeboden.
5. Het Algemeen Bestuur stelt de begroting vast vóór 15 juli van het
jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting moet dienen. Na
vaststelling wordt de begroting toegezonden aan de raden van de
deelnemers. De vastgestelde begroting wordt binnen veertien dagen na
vaststelling doch uiterlijk vóór 1 augustus van het jaar voorafgaande
aan dat waarvoor de begroting dient, gezonden aan Gedeputeerde
Staten.
6. De raden van de deelnemers kunnen bij Gedeputeerde Staten hun
zienswijzen over de vastgestelde begroting doen blijken.
7. In het geval Gedeputeerde Staten hebben bepaald dat de begroting voor
het komende jaar goedkeuring behoeft, doet het Dagelijks Bestuur
mededeling van de beslissing van Gedeputeerde Staten aan de raden van de
deelnemers.
8. In de begroting wordt aangegeven het naar raming bepaalde batig of
nadelig saldo. Het bepaalde in artikel 33 van de Wgr is van
overeenkomstige toepassing.
9. Het bepaalde in het eerste tot en met zevende lid van dit artikel is
van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de
begroting, zulks met inachtneming van het bepaalde in het negende
lid.
10. Het bepaalde in het derde en vijfde lid is niet van toepassing op
begrotingswijzigingen die:
niet leiden tot overschrijding van het totaalbedrag van de
lasten en/of baten van de begroting; en
niet leiden tot een daling van het geraamde batig saldo dan wel
stijging van het geraamde nadelig saldo.