1. De aanwijzing van de plaats van het graf geschiedt met inachtneming van het
bepaalde in artikel 10 door de beheerder.
2. Tot de begraving of bijzetting wordt niet overgegaan dan nadat:
a. de beheerder, indien deze heeft geconstateerd dat aan de in de artikels 12
en 13 opgenomen vereisten is voldaan, hiervoor opdracht aan het
personeel van de begraafplaats heeft verleend;
b. alleen bij begraving van een stoffelijk overschot, het personeel van de
begraafplaats de identiteit van het stoffelijk overschot heeft vastgesteld
door vergelijking van het op de kist of een ander lijkomhulsel vermelde
registratienummer met dat op een bijgevoegd document dat tevens de
namen, overlijdens- en geboortedatum van de overledene dan wel de
geslachtsnaam van de levenloosgeborene bevat.