1.De subsidieontvanger dient binnen twaalf weken, na afloop van de activiteit waarvoor subsidie is
verleend of het subsidietijdvak een aanvraag tot subsidievaststelling in, tenzij de vaststelling van de
subsidie anders is geregeld in een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 lid 1 Awb.
2.De aanvraag tot subsidievaststelling bevat een door het bestuur gewaarmerkt inhoudelijk verslag
aangaande de gesubsidieerde activiteiten waarin in ieder geval de volgende onderdelen zijn
opgenomen:
-een beschrijving van de aard en omvang van de activiteiten, tenzij de subsidie voor
de aanvang van de activiteiten wordt vastgesteld (art. 4:45 lid 1 Awb);
een vergelijking van de nagestreefde en gerealiseerde doelstellingen;
een toelichting op de eventuele verschillen;
een financieel overzicht van inkomsten en uitgaven.
Het college kan ontheffing verlenen met betrekking tot het eerste lid indien het om een
subsidiebedrag gaat van € 500,- en lager en direct bij subsidieverlening tot vaststelling overgaan.
4.Het college kan ontheffing verlenen van één of meer onderdelen van het tweede lid, indien naleving
daarvan redelijkerwijs niet verlangd kan worden of indien daarmee geen aantoonbaar belang is
gediend.
5.Het college kan overlegging van andere stukken of nadere informatie vragen, indien het college dit
nodig acht voor de beoordeling van de aanvraag om vaststelling.
6.Indien de aanvraag tot vaststelling niet binnen de gestelde termijn is ontvangen, kan het college een
termijn stellen voor het alsnog indienen van een aanvraag tot vaststelling (art 4:44 lid 3 Awb).
Hoofdstuk 2.
Artikel 13
Subsidievaststelling en Verantwoording
Onderdeel van nr 12.01 Algemene Subsidieverordening