Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 3

Voor een raadplegend referendum in aanmerking komende beslissingen

Onderdeel van Referendumverordening

Een raadplegend referendum kan in elk geval niet worden gehouden over besluiten: over individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen, kwijtscheldingen, schenkingen tot vaststelling of wijziging van een rechtspositionele regeling over de hoogte van geldelijke voorzieningen voor ambtsdragers, gewezen ambtsdragers, en hun nabestaanden; over de vaststelling van de gemeentelijke begroting en de rekening; over de vaststelling van gemeentelijke tarieven en belastingen; over het voor kennisgeving aannemen van notities en rapporten; tot vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan; in het kader van deze verordening; inzake bezwaar -of beroepsprocedures of rechtsgedingen; als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, 51, eerste en derde lid, 61, eerste en derde lid, 73, eerste en derde lid en 96 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, alsmede tot het wijzigen van, het toetreden tot en het uittreden uit een regeling als bedoeld in artikel 96 van de Wet Gemeenschappelijke regelingen; als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a van de Wet Algemene regels herindeling (Arhi); ter uitvoering van een besluit van een hoger bestuursorgaan of de wetgever waaromtrent de raad geen beleidsvrijheid heeft; waarbij het belang van het referendum naar het oordeel van de raad niet opweegt tegen de verantwoordelijkheid van de raad voor kwetsbare groepen en hun plaats in de samenleving; welke naar het oordeel van de raad hun grondslag vinden in een eerder genomen beslissing waarover een referendum is gehouden of kon worden gehouden; waarvan de totstandkoming, inwerkingtreding of uitvoering naar het oordeel van de raad niet kan worden uitgesteld vanwege enig daarmee gemoeid belang; besluiten waarvan de raad van oordeel is dat er andere dan de onder m tot en met o genoemde redenen zijn om geen referendum te houden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel