Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.6

Opslag en bewaartermijn verwijderde (brom)fiets

Onderdeel van Beleid fietsparkeren

De opslagtermijn voor de verwijderde (brom)fietsen is afhankelijk van de waarde van de (brom)fiets, maar bedraagt minimaal 2 tot maximaal 13 weken. Het moment waarop de opslagtermijn begint te tellen is het moment waarop de bestuursdwang wordt uitgevoerd, ofwel het moment waarop de (brom)fiets wordt verwijderd. De opslagtermijn van maximaal 13 weken volgt uit het eerste lid van artikel 5:30 van de Awb, waarin is aangegeven dat een bestuursorgaan 13 weken na de uitvoering van bestuursdwang de meegevoerde zaken mag verkopen of (laten) vernietigen. Op grond van het tweede lid van artikel 5:30 van de Awb mag het bestuursorgaan de meegevoerde en opgeslagen zaak eerder dan 13 weken afvoeren als de kosten voor het meevoeren en opslaan van die zaak in verhouding tot de waarde van die zaak onevenredig hoog worden. In het derde lid van hetzelfde artikel is opgenomen dat meegevoerde zaken minimaal 2 weken bewaard moeten worden, ongeacht de waarde van die zaak. Concreet betekent dit dat als de kosten voor het meevoeren en opslaan van een (brom)fiets onevenredig hoog worden in verhouding tot de waarde van die (brom)fiets, dat een gemeente dan die (brom)fiets korter mag bewaren dan de termijn van 13 weken. In feite hangt de bewaartermijn dus samen met de waarde van de (brom)fiets: hoe lager de waarde van de (brom)fiets, hoe korter (maar minimaal 2 weken) de gemeente deze hoeft te bewaren. De Awb zegt niets over de wijze waarop de (brom)fietsen moeten worden bewaard. Het uitgangspunt is dat het registratie- en bewaarsysteem dusdanig moet zijn ingericht dat de (brom)fietsen aan de rechtmatige eigenaren kunnen worden teruggegeven.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel