In deze verordening wordt verstaan onder:
a.aansluitleiding:
de buisleiding voor de afvoer van water tussen het openbaar riool en de
perceelsafvoerleiding;
b.afvalwater:
het water afkomstig van een perceel, uitgezonderd bronneringswater,
hemelwater en drainagewater;
c.bronneringswater:
water aan de grond onttrokken voor tijdelijke verlaging van de
grondwaterstand;
d.drainagewater:
grondwater, ingezameld door een ingegraven doorlatend
buizenstelsel;
e.gebruiker:
degene die krachtens zakelijk of persoonlijk recht gebruik maakt van een
perceel;
f.gemengd stelsel:
openbaar riool voor de afvoer van afvalwater en hemelwater;
g.gescheiden stelsel:
rioolstelsel waarbij het hemelwater, al dan niet door het openbaar
riool, gescheiden van het buizenstelsel voor de afvoer van afvalwater
wordt afgevoerd;
h.hemelwater:
van neerslag afkomstig water;
i.lozingstoestel:
toestel waardoor afvalwater wordt afgevoerd naar de
perceelsafvoerleiding, zoals een put, wasbak of toiletpot;
j.openbaar riool:
buizenstelsel bij de gemeente in eigendom en beheer voor inzameling en
transport van afvalwater, hemelwater en drainagewater, met inbegrip van
de daartoe behorende rioolgemalen, persleidingen en werken en
installaties van overeenkomstige aard, met uitzondering van de
aansluitleidingen;
k.perceelsafvoerleiding:
binnen de grenzen van een perceel gelegen buisleidingenstelsel voor de
afvoer van water;
l.rechthebbende:
de eigenaar of zakelijk gerechtigde van een perceel, dan wel diens
rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel.