De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, wordt geheven bij
wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de
aanvang van het parkeren op de wijze zoals op de desbetreffende
parkeerapparatuur is aangegeven, dan wel door middel van een
zogenaamde persoonlijk “in-voertuig” parkeermeter welke in werking
is gesteld met een door/of namens de gemeente verstrekte
smartcard.
In afwijking van het bepaalde in het vorige lid moet de belasting
overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen een maand na het
einde van het parkeren, als het bij de aanvang van het parkeren in
werking stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het via een
telefoon inloggen op de centrale computer.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, wordt geheven door
middel van een gedagtekende kennisgeving en moet worden betaald op
het tijdstip van aanvraag tot het verlenen van de vergunning.
De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, in combinatie met
artikel 8, onderdeel 2, wordt geheven door middel van een
gedagtekende kennisgeving en moet worden betaald op het tijdstip van
aanvraag tot het verlenen van het abonnement.
Een naheffingsaanslag moet direct worden betaald.
Artikel 10
Wijze van heffing en termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2016