Naar hoofdinhoud

Artikel 10.

Subsidiabele kosten

Onderdeel van Subsidiebeleidsregels 2016

1.. Het college onderscheidt de volgende subsidiabele kosten: personeelskosten; huisvestingskosten; organisatiekosten materiaalkosten; activiteitenkosten; afschrijvingskosten; gemeentelijke belastingen en heffingen; accountantskosten. 2.. Tenzij het college anders besluit zijn de volgende kosten geen subsidiabele kosten: kosten van acties en dergelijke ter verwerving van inkomsten, inclusief ledenwerfacties en verzoeken om sponsorbijdragen; kosten van consumpties, traktaties, rookwaren, geschenken en attenties voor zover deze geen directe relatie hebben met de subsidieontvanger en de activiteiten van de subsidieontvanger; kosten verbonden aan festiviteiten ter gelegenheid van jubilea en dergelijke; specifieke door ouders gemaakte kosten van aan activiteiten deelnemende kinderen en dergelijke; materiële en financiële ondersteuning van derden; kosten van barexploitatie; kosten van levering van goederen en diensten aan derden, tenzij het college hiervoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend; BTW die door de subsidieontvanger kan worden teruggevorderd of op een andere wijze kan worden gecompenseerd; onvoorziene kosten; kosten van het voorbereiden en indienen van een aanvraag; salariskosten boven de norm als bedoeld in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector of een vergelijkbare normering van topinkomens. 3.. Het college kan op de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid de volgende baten in mindering brengen: eigen bijdragen van leden of deelnemers; opbrengsten uit financiële tegoeden of beleggingen; ontvangsten van derden voor verrichte diensten; uitkeringen van verzekeringen; andere inkomsten waaronder sponsoring of donaties.

Rechtspraak bij dit artikel