**1..** Het college onderscheidt de volgende subsidiabele kosten:
personeelskosten;
huisvestingskosten;
organisatiekosten
materiaalkosten;
activiteitenkosten;
afschrijvingskosten;
gemeentelijke belastingen en heffingen;
accountantskosten.
**2..** Tenzij het college anders besluit zijn de volgende kosten geen subsidiabele kosten:
kosten van acties en dergelijke ter verwerving van inkomsten, inclusief ledenwerfacties en verzoeken om sponsorbijdragen;
kosten van consumpties, traktaties, rookwaren, geschenken en attenties voor zover deze geen directe relatie hebben met de subsidieontvanger en de activiteiten van de subsidieontvanger;
kosten verbonden aan festiviteiten ter gelegenheid van jubilea en dergelijke;
specifieke door ouders gemaakte kosten van aan activiteiten deelnemende kinderen en dergelijke;
materiële en financiële ondersteuning van derden;
kosten van barexploitatie;
kosten van levering van goederen en diensten aan derden, tenzij het college hiervoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend;
BTW die door de subsidieontvanger kan worden teruggevorderd of op een andere wijze kan worden gecompenseerd;
onvoorziene kosten;
kosten van het voorbereiden en indienen van een aanvraag;
salariskosten boven de norm als bedoeld in de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector of een vergelijkbare normering van topinkomens.
**3..** Het college kan op de subsidiabele kosten als bedoeld in het eerste lid de volgende baten in mindering brengen:
eigen bijdragen van leden of deelnemers;
opbrengsten uit financiële tegoeden of beleggingen;
ontvangsten van derden voor verrichte diensten;
uitkeringen van verzekeringen;
andere inkomsten waaronder sponsoring of donaties.