Op grond van de wet moet het college bij elk nieuw onderzoek de identiteit van de inwoner vaststellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (o.a. een geldig paspoort, Nederlandse identiteitskaart of rijbewijs).
2.9 Gesprek en onderzoek
2.9.1 Gesprek
De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de betrokken inwoner, en eventueel diens cliëntondersteuner en/of mantelzorger, wat de hulpvraag inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Hieronder wordt nadrukkelijk ook de behoefte van de mantelzorger(s) begrepen. Dit gesprek zal meestal bij de inwoner thuis zijn. Als het een melding betreft van een bij de gemeente 'bekend' persoon die eerder een voorziening of een gesprek heeft gehad dan kan het gesprek in overleg met de melder ook telefonisch plaatsvinden.
Het gesprek vormt de basis voor een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. De medewerker verzamelt de benodigde informatie. Daarbij is de medewerking van de melder onontbeerlijk. Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan in overleg met de melder worden afgezien van (delen van) het onderzoek.
De onderzoeksfase is een waarborg voor inwoners om gehoord te worden en in gezamenlijk overleg tot een kwalitatief goed ondersteuningsplan te komen. Bovendien is het van belang na te gaan of de voorziening/ondersteuning die de inwoner voor ogen heeft geen surrogaat is voor mogelijk onderliggende problematiek (vraag achter de vraag).
2.9.2 Onderzoek
De onderwerpen die in het onderzoek aan de orde moeten komen zijn (zie artikel 2.2 van de Verordening):
de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de inwoner (zie ook hoofdstuk 3);
in hoeverre de inwoner in staat is om op eigen kracht, met eigen verantwoordelijkheid, de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en participatie op te lossen en het door hem gewenste resultaat te bereiken;
in hoeverre de inwoner in staat is om met mantelzorg of met ondersteuning en hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie en of in die situatie sprake is van gebruikelijke hulp;
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de inwoner om de inwoner in staat te stellen te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie;
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, wettelijk voorliggende voorzieningen of door het verrichten van activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie;
de mogelijkheid om met inzet van individuele maatwerkvoorzieningen een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.
welke bijdragen in de kosten de inwoner verschuldigd zal zijn;
bij het onderzoek wordt aan de inwoner dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De inwoner dan wel diens vertegenwoordiger wordt actief en in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
Het zal regelmatig voorkomen dat niet alle aspecten die onderdeel van een onderzoek moeten zijn, ook in een concrete casus aan de orde hoeven te komen, omdat bijvoorbeeld blijkt dat aan de behoefte van de inwoner aan maatschappelijke ondersteuning kan worden voldaan door het geven van informatie, een eenvoudige verwijzing of omdat bijvoorbeeld blijkt dat een combinatie van eigen kracht en gebruikelijke hulp van een huisgenoot volstaat. Dat is echter alleen zo wanneer de inwoner hiermee instemt en laat blijken dat hij geen maatwerkvoorziening wenst aan te vragen. Als de inwoner tijdens het onderzoek te kennen geeft dat hij met aangereikte mogelijkheden uit de voeten kan of geen aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal doen, kan het onderzoek als afgerond worden beschouwd.
2.10 Verslag (en ondersteuningsplan)
De melding en de bespreking van de behoefte aan ondersteuning leidt in beginsel tot een ondersteuningsplan van de inwoner. Het ondersteuningsplan wordt getekend door (of namens) de melder (de belanghebbende of diens vertegenwoordiger) en de medewerker van het Sociaal Team Oegstgeest.
Het ondersteuningsplan is de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de inwoner zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, evenals de beoogde resultaten en de toekomstige evaluatie daarvan.
Wanneer tijdens het intakegesprek of het onderzoek blijkt dat de inwoner mogelijk recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet Langdurige Zorg, de Zorgverzekeringswet of andere voorliggende voorzieningen, wordt het aanvragen hiervan opgenomen in het plan. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner bepaalt of de afspraak is dat de inwoner dit zelf doet, iemand uit zijn omgeving dan wel het Sociaal Team Oegstgeest ondersteuning biedt.
De weergave van het onderzoek (het verslag) met daarin de resultaten (het ondersteuningsplan) dient binnen maximaal 6 weken na de melding gereed te zijn.
Indien de inwoner het niet eens is met de inhoud van het verslag wordt dit met de hulpvrager besproken. Opmerkingen/aanvullingen zullen worden toegevoegd aan het verslag en eventueel zal een nieuw gesprek worden gevoerd en de resultaten aangepast. Het verslag met aanpassingen naar aanleiding van de opmerkingen en aanvullingen van de inwoner dient ondertekend te worden door de inwoner.
Indien de inwoner het uiteindelijk toch niet eens is met de uitkomst van het onderzoek, staat er geen wettelijk bezwaarmogelijkheid open. Mochten de resultaten van het onderzoek aangeven dat er geen noodzaak is voor een maatwerkvoorziening en de inwoner is het hier uiteindelijk toch niet mee eens dan kan hij alsnog een aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening. De beslissing op die aanvraag staat wel open voor een officiële bezwaarprocedure.
2.11 Spoedeisende situatie
Indien er sprake is van een spoedeisende situatie, dan is het college, na de melding, gehouden onverwijld een vorm van noodzakelijke ondersteuning te bieden. De uitkomst van het onderzoek hoeft dan niet afgewacht te worden. De inzet van deze ondersteuning is tijdelijk.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.8.
Identificatie inwoner
Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Oegstgeest 2016