1.In deze verordening wordt verstaan onder:
Bijstand
:
Algemene en bijzondere bijstand;
Doelgroep
:
Personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a
Participatiewet;
Doelgroep loonkostensubsidie
:
Personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a
Participatiewet, van wie is vastgesteld dat zij met
voltijdse arbeid niet in staat zijn tot het verdienen
van het wettelijk minimumloon, doch wel mogelijkheden
tot arbeidsparticipatie hebben (artikel 6, eerste lid,
onderdeel e Participatiewet);
Grote afstand tot de
arbeidsmarkt
(doeltrede 3 en 4)
:
Deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet
mogelijk binnen één jaar;
Individuele studietoeslag
:
Een toeslag voor personen, die studeren en van wie is
vastgesteld dat ze niet in staat zijn om het wettelijk
minimumloon te verdienen;
IOAW
:
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
IOAZ
:
Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;
Korte afstand tot de
arbeidsmarkt
(doeltrede 5 en 6)
:
Deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs mogelijk
binnen één jaar;
Voorziening
:
De re-integratie instrumenten die het college kan
inzetten en waarvan de inzet noodzakelijk wordt geacht
om de arbeidsinschakeling of maatschappelijke
participatie te bevorderen;
Vermogen
:
Waarde van de bezittingen waarover belanghebbende of
dienst gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken
(artikel 34 Participatiewet), met uitzondering van het
in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen,
bedoeld in artikel 50, eerste lid Participatiewet.
2.Alle niet nader omschreven begrippen in deze verordening worden gebruikt
zoals zij zijn gedefinieerd in de Algemene wet bestuursrecht,
Participatiewet of overige in deze verordening aangehaalde wetten.