De raad kan het uitzicht op het recht op pensioen geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren:
indien degene, die dat uitzicht of recht heeft, zich in vreemde krijgsdienst of in vreemde overheidsdienst heeft begeven en naar zijn oordeel zich daardoor uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
indien degene, die dat uitzicht of recht heeft, wegens enig strafbaar feit is veroordeelt, waaruit naar zijn oordeel blijkt, dat hij zich uit Nederlands nationaal oogpunt beschouwd onwaardig heeft gedragen;
indien degene, die dat uitzicht of recht heeft, overeenkomstig artikel W9 van de Kieswet van het lidmaatschap van de raad vervallen verklaard is;
indien het ontslag als wethouder, die dat uitzicht of recht heeft, voortvloeit uit het feit, dat hij zich aan kennelijk wangedrag of grove verwaarlozing van zijn taak heeft schuldig gemaakt. Onder grove verwaarlozing van zijn taak wordt begrepen het zonder genoegzame grond weigeren de in artikel 129 van de gemeentewet bedoelde inlichtingen aan de raad te verstrekken.
In bijzondere gevallen kan de raad een door of als gevolg van de toepassing van het vorige lid vervallen uitzicht of recht op pensioen geheel of gedeeltelijk herstellen.
HOOFDSTUK IV.
Artikel 39
Artikel 39
Onderdeel van Uitkerings- en pensioenverordening Wethouders 2011