Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 64.

Overgangsrecht

Onderdeel van Verordening op het sociaal domein gemeente Kaag en Braassem 2016

1.. Voor inwoner(s), zoals jeugdigen en/of hun (pleeg)ouders) die op het moment van inwerkingtreding van de Verordening sociaal domein Kaag en Braassem 2016 een indicatiebesluit hebben waarin is vastgelegd dat de jeugdige aangewezen is op pleegzorg, geldt geen tussentijdse einddatum voor de rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan dit besluit jegens het college. 2.. Aanspraken op zorg en afgegeven indicatiebesluiten op basis van de AWBZ worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de Wmo. 3.. Een inwoner houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening Voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Kaag en Braassem, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen, waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt ingetrokken. Hierbij wordt een redelijke overgangstermijn in acht genomen. 4.. Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening, zoals genoemd in lid 5 van dit artikel of onder de Verordening sociaal domein Kaag en Braassem 2015, en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van de Verordening sociaal domein gemeente Kaag en Braassem 2016, worden afgehandeld krachtens de Verordening sociaal domein gemeente Kaag en Braassem 2016. 5.. Op bezwaarschriften, gericht tegen een besluit op grond van de verordening, zoals genoemd in lid 5 van dit artikel, wordt beslist met inachtneming van de betreffende verordening op basis waarvan het besluit is genomen. 6.. Een persoon die gebruik maakt van een op grond van de Reintegratie-verordening Gemeente Kaag en Braassem toegekende voorziening behoudt deze voorziening voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden uit die verordening, zoals de betreffende verordening luidde voor 1 januari 2015. 7.. Indien er sprake is van een gedraging die betrekking heeft op een uitkeringsperiode voor inwerkingtreding van deze verordening en het van kracht worden van de Participatiewet, is de opgelegde maatregel in ieder geval niet zwaarder dan op grond van de ingetrokken verordening van toepassing zou zijn.

Rechtspraak bij dit artikel