Naar hoofdinhoud
Aanvullende toelichting is te lezen in de toelichting van de VNG op de modelverordening. Artikel 2:40a Deze (ingrijpende) bevoegdheid van de burgemeester strekt tot het herstellen van de openbare orde, de veiligheid of zedelijkheid door het weren en terugdringen van strafbare feiten in en vanuit voor publiek openstaande gebouwen, alsmede het beëindigen van aanhoudende en ontoelaatbare overlast die niet met andere middelen afdoende kan worden bestreden. Dit artikel is een aanvulling op de bevoegdheden van de burgemeester om op grond van de APV of artikel 13b van de Opiumwet overlastgevende inrichtingen, zoals horecabedrijven en seksinrichtingen, dan wel woningen te sluiten op grond van artikel 174a Gemeentewet. Sluiting op deze grond is niet mogelijk voor zover dat reeds mogelijk is op een andere grond genoemd in de APV of artikel 13b van de Opiumwet. Horecagelegenheden kunnen worden gesloten op grond van de APV. Als sprake is van drugs(handel) kunnen gebouwen worden gesloten op grond van artikel 13b Opiumwet. In situaties van een ordeverstoring, die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor de ordelijke gang van zaken, biedt de Gemeentewet (artikel 174) in eerste instantie uitkomst. Sluiting op grond van de Gemeentewet kan echter slechts voor een beperkte periode en bij (een dreiging van) ernstige verstoring van de openbare orde. Als langere sluiting is gewenst of wanneer sluiting op grond van de Gemeentewet niet mogelijk is, biedt artikel 2:40a van de APV hiertoe de bevoegdheid. De sluitingsbevoegdheid kan bijvoorbeeld worden ingezet om de volgende criminele activiteiten die als een gevaar voor de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid, wanneer zij in of vanuit een voor publiek toegankelijk gebouw plaatsvinden, kunnen worden aangemerkt: heling; witwassen; zedendelicten; geweldsincidenten; aantreffen van wapen(s) in de zin van de Wet wapens en munitie; handel in wapen(s) in de zin van de Wet wapens en munitie; arbeidsuitbuiting; (de aanwezigheid van slachtoffers van) mensenhandel; illegale gokactiviteiten; het faciliteren van criminele activiteiten. Bijvoorbeeld wanneer ondernemers van (dienstverlenende) bedrijven zoals, autoverhuurbedrijven, uitzendbureaus of winkels overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op enigerwijze toestaan. Voor de toepassing van artikel 2:40a is het niet relevant of de exploitant van de inrichting betrokken is bij de tot sluiting redengevende feiten, of dat hem daarvan anderszins een verwijt kan worden gemaakt. De sluiting beoogt geen straf op te leggen, maar is gericht op het herstel van de openbare orde die in gevaar wordt gebracht door feiten en omstandigheden die in de inrichting plaatsvinden. De schuldvraag is daarbij in principe niet van belang. De burgemeester trekt het sluitingsbevel in als de voortzetting van de sluiting niet langer nodig is en beoordeelt of dat het geval is. Van belang hierbij is onder meer de bereidheid en de bekwaamheid van de exploitant om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van het gebeurde te voorkomen, bij voorbeeld door herinrichting van het bedrijf, verscherping van het toelatingsbeleid of het aannemen van (ander) personeel. Artikel 2:40b Op 1 juli 2017 is de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden (artikel 151d van de Gemeentewet). Deze wet maakt het mogelijk dat de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid toekent om bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast gedragsaanwijzingen op te leggen aan gebruikers van een woning of erf. Tot aan de invoering van artikel 151d Gemeentewet bestond de mogelijkheid in het kader van de aanpak van woonoverlast om een bestuurlijke waarschuwing te geven of de woning van de overlastgever tijdelijk te sluiten. Een bestuurlijke waarschuwing blijkt in de praktijk een (te) licht instrument en heeft vaak niet het gewenste effect. Een tijdelijke woningsluiting is daarentegen een zwaar instrument. Woonoverlast bestaat vaak uit relatief kleine incidenten, die weliswaar een grote invloed kunnen hebben op omwonenden maar die zich niet (altijd) lenen voor een tijdelijke woningsluiting. In deze leemte voorziet thans artikel 151d Gemeentewet. Eerste en derde lid Het eerste lid van artikel 2:79 bevat een zorgplicht die inhoudt dat gedragingen in of vanuit een woning of het daarbij behorende erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder mogen veroorzaken voor omwonenden. Hieronder vallen ook gedragingen in de onmiddellijke nabijheid van de woning of het erf. De hinder moet ernstig en herhaaldelijk zijn voordat het onder deze bepaling valt. Deze zorgplicht geldt voor gebruikers van een woning en/of bijbehorend erf. Er hoeft geen huurrechtelijk of eigendomsrechtelijke relatie met de woning te bestaan. Ook een regelmatige gast, een illegale onderhuurder of een kraker van de woning valt onder de bepaling. De zorgplicht geldt tevens voor degene die zijn of haar woning tegen betaling in gebruik geeft aan personen die niet staan in geschreven in de Basisregistratie Personen (BRP). Hier worden bijvoorbeeld personen mee bedoeld die de eigen woning te huur aanbieden via een online verhuurplatform, zoals Airbnb en Wimdu. Tweede lid Een eenduidige definitie van hinder is niet te geven. De hinder moet worden aangetoond vanuit aanpak van woonoverlast. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het draaien van luide muziek in de nachtelijke uren. Derde lid Wanneer de zorgplicht wordt geschonden, kan de burgemeester een gedragsaanwijzing geven in de vorm van een last onder dwangsom of last onder bestuursdwang. Uitgangspunt is dat de last proportioneel is en in verhouding staat tot de overtreding. In de last staat omschreven welke handelingen een gebruiker van de woning en/of erf moet verrichten of moet nalaten. Er kan bijvoorbeeld worden bepaald dat de overtreder geen luide muziek mag draaien na een bepaalde tijd. De last kan ook een tijdelijk verbod inhouden voor een meerderjarige gebruiker om aanwezig te zijn in of bij de woning of op het erf. Het doel hiervan is dat de overlast tijdelijk stopt. Bovendien ontstaat hierdoor ruimte om te zoeken naar een definitieve oplossing en kunnen ingrijpendere maatregelen zoals een woningsluiting worden voorkomen. Het verbod om aanwezig te zijn geldt voor een periode van tien dagen en kan bij ernstige vrees voor verdere overtreding worden verlengd tot ten hoogste vier weken. De Wet tijdelijk huisverbod (Wth) is van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de bepalingen die specifiek zien op huiselijk geweld. Artikel 2:41 Het eerste lid, tweede en derde lid, regelen het verbod om een woning, dan wel een pand of lokaal te betreden dat gesloten is op grond van de verschillende sluitingsbevoegdheden van de burgemeester. Het vierde lid regelt de uitzondering dat personen wier aanwezigheid noodzakelijk is er wel mogen komen. Het vijfde tot en met zevende lid zijn in dit artikel opgenomen omdat deze plichten dan wel verboden betrekking hebben op alle sluitingsbevoegdheden die aan de burgemeester in het kader van de handhaving van de openbare orde zijn toegekend. Artikel 2:47 Het derde lid regelt een verbod op, en zodoende de mogelijkheid om handhavend op te treden overeenkomstig het handhavingsbeleid van de gemeente tegen, het overnachten in voertuigen aan de openbare weg. Het vierde lid regelt een algeheel verbod op het op of aan openbaar water voor anker liggen. Met het verbod ontstaat de mogelijkheid hiertegen overeenkomstig het handhavingsbeleid van de gemeente op te treden. Het is daarvoor niet noodzakelijk dat men daadwerkelijk in het vaartuig overnacht of op het vaartuig aanwezig is. In de praktijk blijkt het regelmatig voor te komen dat boten op openbaar water voor anker liggen en daarin, in sommige gevallen, wordt overnacht. Dit geeft steeds vaker aanleiding tot klachten en een onveilig gevoel. Daarnaast wordt met het buiten de haven voor anker liggen het betalen van haven- en/of liggelden omzeild. In het vijfde lid wordt aan het college de bevoegdheid toegekend om bepaalde gebieden binnen de gemeente aan te wijzen waarin het verbod in het derde of vierde lid (tijdelijk) niet geldt. Zodoende kan worden bepaald of er gebieden of bijzondere omstandigheden zijn waarvoor of waardoor het wenselijk is het verbod in het derde of vierde lid niet te laten gelden, bijvoorbeeld in (een) passantenhaven(s) vanwege recreatieve doeleinden of omdat bepaalde evenementen (zoals het bloemencorso) een uitzondering verlangen. Het college kan in het aanwijzingsbesluit in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente nadere regels stellen aan het toegestane verblijf (bijvoorbeeld in welk kader verblijf is toegestaan). Verder kan het college beperkingen stellen naar soort en aantal van de toegestane voer- of vaartuigen en de verblijfsduur en tijdstippen van verblijf van de voer- of vaartuigen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel