Naar hoofdinhoud
1.. Het tracé mag, tenzij schriftelijk andere afspraken zijn gemaakt met de gemeente. maximaal 80 meter en 1 kruispunt of aansluiting van een zijstraat ontdaan zijn van verharding. Dit geldt ook als met meerdere ploegen wordt gewerkt. 2.. Ondergraven van de wegbedekking en haar onderbed is verboden. Wegbedekking en onderbed moeten altijd over minstens de volle lengte en breedte van de ontgraving worden opgebroken. 3.. Verharding en grond moeten gescheiden op soort worden ontgraven en opgeslagen. Funderingsmateriaal dat met de uitkomende grond wordt vermengd, is niet meer geschikt om als fundering te worden gebruikt en wordt eigendom van de aanbieder, beheerder en/of uitvoerder en moet vervolgens door deze op zijn kosten worden afgevoerd, schoongemaakt en verwerkt. 4.. Ontgraven funderingsmateriaal kan worden hergebruikt, mits dit geen gebonden fundering zoals hoogovenslakken, betongranulaat of zandcement is en mits gescheiden van zand is ontgraven en weer gescheiden wordt aangebracht. Indien het funderingsmateriaal bestond uit gebonden fundering dient als nieuw funderingsmateriaal menggranulaat korrel 0 tot 30,5 mm te worden gebruikt. 5.. Ontgraven gebonden fundering is niet meer geschikt om als fundering te worden gebruikt en wordt eigendom van de aanbieder, beheerder en/of uitvoerder en moet vervolgens door deze op zijn kosten worden afgevoerd, schoongemaakt en verwerkt te worden. 6.. Indien tijdelijke opslag van uitgenomen sleufmateriaal langs de sleuf niet mogelijk is dient in overleg met de gemeente een locatie te worden overeengekomen. 7.. De bij de ontgraving vrijgekomen gescheiden grondsoorten of verhardingen dienen bij het herstel in de juiste volgorde te worden teruggebracht zodat de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zoveel mogelijk wordt herkregen. Een bovenlaag van minimaal tien centimeter schoon zand in het cunet dient vrij van puin te zijn. In geval van een gefundeerde weg dient een straat laag van gemiddeld vijf centimeter schoon zand te worden aangebracht. 8.. Om verzakkingen in de weg te voorkomen dient de verdichting in lagen te geschieden van maximaal 30 centimeter, waarbij iedere laag afzonderlijk moet worden afgetrild. Indien bij het uitvoeren van de verdichting werkzaamheden, afhankelijk van de uitvoeringswijze en omstandigheden, meer zand nodig is, dient de aanbieder, beheerder en/of de uitvoerder hier zelf zorg voor te dragen. 9.. Wanneer na aanvulling en verdichting de grondslag te hoog blijkt, moet deze op de juiste hoogte worden aangebracht. De overtollige grond mag alleen na overleg met de Omgevingsdienst West-Holland worden afgevoerd. 10.. Indien ten gevolge van het werk te kort komende grond zal worden aangevuld, dient deze aanvulgrond te voldoen aan de bepalingen van het besluit Bodemkwaliteit. Ook is het mogelijk grond toe te passen op basis van de bodemkwaliteitskaart. Informatie over de te volgen procedures en vereisten zijn te verkrijgen bij de Omgevingsdienst West-Holland. 11.. De bij de ontgraving vrijgekomen gescheiden grondsoorten of verhardingen dienen bij het herstel in de juiste volgorde te worden teruggebracht zodat de oorspronkelijke opbouw van het bodemprofiel zoveel mogelijk wordt herkregen. 12.. De verdichtingsgraad van de opbreking dient minimaal 95% te zijn en/of 98% van de direct naastgelegen grond. De gemeente kan hierop controle uitoefenen. De verdichtingsgraad wordt bepaald volgens proef 3 van de Standaard RAW-Bepalingen 2015, dan wel daarvoor in de plaats tredende latere regelingen of aanvullingen van vergelijkbare strekking. 13.. Indien een sleuf door een Wadi of daarmee gelijkgestelde constructie wordt gegraven, dient na afloop van de werkzaamheden de gehele Wadi constructie weer in de oorspronkelijke vorm, hoedanigheid en functionaliteit te worden hersteld. Indien noodzakelijk dient beheerder of aanbieder op zijn kosten de gehele Wadi opnieuw te construeren.

Rechtspraak bij dit artikel