**1..** Het bij de aanvang van het parkeren verkregen parkeerkaartje dient
achter de voorruit van het motorvoertuig te worden geplaatst. Dit
dient zodanig te gebeuren dat de voorzijde van het kaartje duidelijk
vanaf de buitenkant van het motorvoertuig is te lezen.
**2..** Wanneer gebruik wordt gemaakt van een zogenaamde persoonlijke
“in-voertuig” parkeermeter dient het apparaat, ingesteld op het
juiste tarief, tijdvak en maatstaf welke geldt voor de locatie waar
het voertuig is geparkeerd, in werking te worden gesteld middels een
door of namens de gemeente verstrekte smartcard. Het apparaat dient
zodanig in het voertuig te worden aangebracht dat de voorzijde van
het apparaat duidelijk vanaf de buitenkant van het voertuig van het
motorvoertuig is te zien.
**3..** Indien de voorschriften in dit artikel niet worden nageleefd, wordt
er onbetaald geparkeerd.
AFDELING II
Artikel 3
Voorschriften
Onderdeel van Verordening gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren