Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3.

Artikel 5.

Uitgangspunten bij het vaststellen van volledige verwijtbaarheid

Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gemeente Raalte 2015

Voor het bepalen van de hoogte van de boete hanteert het college onderstaande uitgangspunten om te bepalen of er sprake is van volledige verwijtbaarheid: het college deelt bij de toekenning van een uitkering aan de belanghebbende mee welke feiten en omstandigheden van belang zijn voor het vaststellen van het recht op en de hoogte van de bijstand die hij spontaan of desgevraagd aan het college moet melden. Het college gaat er dan ook, tenzij bijzondere omstandigheden op het tegendeel wijzen, steeds vanuit dat het de belanghebbende redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze feiten en omstandigheden van invloed kunnen zijn op de uitkering; van een belanghebbende kan een redelijke inspanning worden gevergd om op de hoogte te raken van feiten en omstandigheden bij anderen die van invloed kunnen zijn op zijn uitkering (bijvoorbeeld omstandigheden van een inwonend kind). Het enkele feit dat die ander de belanghebbende niet spontaan van een relevante omstandigheid op de hoogte heeft gesteld, impliceert niet dat het niet melden daarvan niet of slechts in verminderde mate aan de belanghebbende kan worden verweten. Het boetebedrag wordt bij het ontbreken van opzet of grove schuld gesteld op 50% van het benadelingsbedrag.

Rechtspraak bij dit artikel