Indien aan een woningbouwverzoek medewerking wordt verleend, omdat het valt onder één van de in artikel 3 genoemde uitzonderingen, moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:
het woningbouwverzoek moet voorafgegaan worden door een principeverzoek waarop een positief standpunt is ingenomen;
er moet zijn gewaarborgd dat de woningsplitsing daadwerkelijk op korte termijn wordt gerealiseerd hetgeen inhoudt dat:
verzoeken om woningbouw moeten zijn gerealiseerd binnen een termijn van 3 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning, die moet worden ingediend binnen een termijn van één jaar na datering van een positieve beslissing op het ingediende principeverzoek. Wordt hieraan niet voldaan, dan kan geen enkel recht meer worden ontleend aan de genomen beslissing op het principeverzoek en zal een nieuw verzoek moeten worden ingediend. Het verzoek zal vervolgens worden beoordeeld op basis van het beleid zoals dit geldt op het moment van indiening van het principeverzoek.
Het regelen van de bouwbestemming met toepassing van deze beleidsregel middels een herziening van het bestemmingsplan is niet toegestaan. Reden daarvan is dat daarmee de hiervoor aangegeven bebouwing op korte termijn niet gewaarborgd kan worden.
de te bouwen woning mag uitsluitend verticaal worden gesplitst, hetgeen inhoudt dat het niet toegestaan is om de woning te splitsen in een (of meerdere) beneden- en bovenwoning(en). Dit geldt niet voor woningbouwverzoeken zoals hiervoor vermeld onder 3b sub 4.
Er worden uitsluitend woningbouwverzoeken in behandeling genomen door de uiteindelijke gebruikers en/of eigenaren van de woningen na de woningsplitsing. Verzoeken van eigenaren van woningen die een woningsplitsing planologisch willen regelen uit economisch oogpunt teneinde deze als te splitsen woning in de markt te zetten voor verkoop aan derden worden niet in behandeling genomen.
In afwijking van het hiervoor bepaalde onder 4d is het ook mogelijk dat een investeerder een woningbouwverzoek indient als bedoeld in artikel 3b onder 2 met de bedoeling om de na woningsplitsing ontstane woningen of wooneenheden te verhuren. In dat geval zal schriftelijk moeten worden vastgelegd door de investeerder en vervolgens door de uiteindelijke huurders van de woningen of wooneenheden, dat dezelfde doelstelling worden nagestreefd als omschreven in artikel 3b onder 2. Ook in de huurovereenkomst dienen bepalingen te worden opgenomen die genoemde doelstelling waarborgen, zulks ter beoordeling van het college. Het bepaalde in dit artikel moet vaststaan bij het indienen van het principeverzoek door overlegging van bewijsstukken daartoe.
betreffende de verzoeken die vallen onder artikel 3a geldt een maximum van in totaal 15 te bouwen woningen voor geheel Peel en Maas ingaande de dag na bekendmaking. Daarbij is de volgorde van indiening van het principeverzoek leidend voor het bepalen van genoemd aantal van 15, onder voorwaarde dat daarop positief wordt beslist. Woningtoevoeging als gevolg van woningsplitsing in kernen waar onvoldoende planvoorraad aanwezig is om te kunnen voorzien in de natuurlijke behoefte aan woningen en eventuele ambitie voor die kern tellen niet mee voor het bepalen van genoemd maximum aantal van 15.
Woningen mogen naast de splitsing in principe worden uitgebreid hetgeen inhoudt dat de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het “achtererfgebied” 200 m2. mag bedragen, met dien verstande dat maximaal 75% van het achtererfgebied bebouwd mag worden.
De toename van parkeerplaatsen als gevolg van de woningsplitsing dient op eigen terrein opgelost te worden aan de hand van de op het moment van vergunningaanvraag geldende parkeernormen.
Woningsplitsing is alleen toegestaan binnen de bestaande hoofdbebouwing die reeds (ten dele) een woonfunctie heeft.
met de indiener van het woningbouwverzoek wordt bij het verlenen van medewerking een anterieure overeenkomst aangegaan inzake het kostenverhaal waarin in ieder geval wordt geregeld dat de kosten van de planologische procedure en mogelijke planschade voor rekening van de aanvrager komen.