**1..** Het toekennen van een vervoersvoorziening geschiedt alleen aan de jeugdige wanneer aantoonbaar is gemaakt door de aanvrager dat er een noodzaak bestaat het tot inzetten van deze voorziening en dat bij gebrek aan deze voorziening de toegang tot jeugdhulp wordt onthouden.
**2..** De noodzaak van een vervoersvoorziening wordt aannemelijk gemaakt indien:
**a..** er sprake is van een vervoersprobleem; en
**b..** aantoonbaar is gebleken dat op eigen kracht of met hulp van ouders of andere personen uit de naaste omgeving geen oplossing voor het vervoersprobleem kan worden gevonden; en
**c..** er geen oplossing gevonden kan worden voor het vervoersprobleem door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een andere voorziening; en
**d..** er sprake is van een medische noodzaak, zoals gesteld in artikel 8; en/of
**e..** er sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid, zoals gesteld in artikel 9.
**3..** De noodzaak van een vervoersvoorziening, zoals gesteld in artikel 7 lid 3, wordt getoetst door de jeugdprofessionals van de Stichting Jeugdteams.
**4..** De jeugdprofessional legt de noodzaak tot inzet van de vervoersvoorziening vast in het actieplan, zoals bedoeld in artikel 7 van de Verordening Jeugdhulp van deze gemeente.
**5..** Bij het toekennen van een vervoersvoorziening wordt dit vastgelegd in de beschikking waarin de individuele jeugdhulpvoorziening is benoemd waarop deze voorziening betrekking heeft.
**6..** De duur van de vervoersvoorziening is gelijk aan de duur van de beschikking of korter indien de betreffende individuele voorziening eerder eindigt.
Artikel 7.
Toekenning van een vervoersvoorziening
Onderdeel van Beleidsregels bij de toepassing van de Verordening Jeugdhulp Gorinchem 2016