De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de norm voor de jongere ten minste bedraagt:
35% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande van 21 of 22 jaar en een alleenstaande schoolverlater;
45% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;
65% van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder;
75% van de gehuwdennorm voor gehuwden.
HOOFDSTUK 3.
Artikel 8.
Anti-cumulatiebepaling.
Onderdeel van Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren