Inleiding
In hoofdstuk 2 van de Verordening staan de procedureregels beschreven. Het gaat om de manier waarop het college omgaat met de melding van een ondersteuningsvraag van cliënten en hoe het onderzoek (het vraagverhelderingsgesprek) wordt gedaan en afgerond. De wettelijke termijn waarbinnen de procedure moet zijn afgerond is zes weken. De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn niet van toepassing op de procedure. Wel is het college overeenkomstig artikel 3:2 Awb gehouden het onderzoek zorgvuldig te doen. Dat volgt uit de schakelbepaling van artikel 3:1 Awb. Om voldoende rechtsbescherming te bieden kan de cliënt die een melding heeft gedaan in ieder geval na zes weken altijd een aanvraag indienen.
Melding van de ondersteuningsvraag
Een ieder kan zich bij het college melden. Om te spreken van een melding wordt wel onderscheid gemaakt tussen een verzoek om informatie en advies en een verzoek om maatschappelijke ondersteuning. Dit is van belang omdat een melding van een ondersteuningsvraag leidt tot een vraagverhelderingsgesprek, zie artikel 2.3 van de Verordening.
Beschermd wonen en/of opvang
De toegang voor maatschappelijke opvang en beschermd wonen loopt via de Centrale Toegang (CT) Flevoland. Ingeval van een melding met de behoefte aan dergelijke maatwerkvoorzieningen wordt de cliënt in principe doorverwezen naar de CT Flevoland. Het expertteam van de CT is verantwoordelijk voor een professioneel inhoudelijk oordeel op het plan van aanpak, waarbij er vanuit de verschillende expertises gekeken wordt. Deze expertises zijn de verslavingszorg, de GGZ, kennis van beschermd wonen, ambulante woonbegeleiding, maatschappelijke opvang en kennis van de LVB doelgroep. Het expertteam achter het regionale meldpunt overlegt met het sociale team of toegang tot opvang of beschermd wonen noodzakelijk is. Voor de toegang tot beschermd wonen is het van belang te weten dat de eerste drie jaar intramuraal verblijf wegens behandeling op het terrein van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) voor rekening komt van de Zvw. Voor personen die na drie jaar voor een behandeling in een instelling op het terrein van de (GGZ) verblijven, komt dit voor rekening van de Wlz.
Persoonlijk plan en cliëntondersteuning
Nadat de cliënt zich heeft gemeld wijst het college op de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen (zie begripsbepaling). De wet bepaalt dat een persoonlijk plan zeven dagen na de melding bij het college kan worden ingediend. Er kunnen zich individuele omstandigheden voordoen waardoor het college van deze termijn afwijkt. Zowel het College als de cliënt is er namelijk bij gebaat dat een persoonlijk plan voldoende inzicht geeft in welke maatschappelijke ondersteuning volgens de cliënt is aangewezen. Met het indienen van een persoonlijk plan is overigens niet gezegd dat het college gehouden is, indien een aanvraag wordt ingediend, (volledig) tegemoet te komen aan de wensen zoals die in dat plan zijn beschreven. Dat zal het college in voorkomende gevallen wel nader moeten motiveren bij de besluitvorming.
Inhoud persoonlijk plan
In het persoonlijk plan moet in ieder geval blijken op welke manier de cliënt zelf denkt dat zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan worden vormgegeven.
De inhoud van die motivatie moet betrekking hebben op de volgende onderwerpen:
de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren;
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie;
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie.
Dit zijn de onderwerpen genoemd in artikel 2.3.2 lid 4 van de wet en sluiten aan bij de inhoud van het amendement dat heeft geleidt tot de mogelijkheid van het indienen van een persoonlijk plan.
Clientondersteuning
Cliëntondersteuning is onafhankelijke ondersteuning van de cliënt met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen (art. 1.1.1 lid 1 Wmo 2015).
Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het vraagverhelderingsgesprek helpen zijn ondersteuningsvraag te verwoorden en keuzes te maken. Het college moet ervoor zorgen dat deze cliëntondersteuning beschikbaar is voor hen die maatschappelijke ondersteuning nodig hebben of problemen hebben op andere terreinen binnen het sociale domein. Bij de melding van de ondersteuningsvraag wijst het college erop dat gebruik kan worden gemaakt van cliëntondersteuning.
Verder moet het college er zorg voor dragen dat cliëntondersteuning en het beslissen op een aanvraag niet in één hand kunnen liggen. De cliëntondersteuner moet immers onpartijdig zijn en alleen in het belang van de cliënt te handelen. De cliëntondersteuner kan ook iemand uit het netwerk van cliënt of vanuit een belangenorganisatie of een professional in dienst van een welzijnsinstelling zijn, bijvoorbeeld een ouderenadviseur of een maatschappelijk werker.
Beleidsuitgangspunten
Cliëntondersteuning heeft een preventieve functie en kan beroep op (zwaardere vormen van) hulpverlening voorkomen. Voor situaties waarin een verminderd zelfredzame cliënt geconfronteerd wordt met complexe vraagstukken en waarvoor het nodig is een onderzoek in te stellen, is via het sociaal team professionele en onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar.
Signaleringsfunctie
Verder kan het college met aanbieders afspraken maken over het indienen van een melding namens cliënten. Het is logisch dat zij snel kunnen constateren dat de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning van een cliënt toeneemt, of daar tenminste aanleiding voor is dat aan te nemen (signaleringsfunctie). Ook kan er natuurlijk sprake zijn van een afname aan de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.
Het college doet in ieder geval onderzoek en er wordt zonodig een vraagverhelderingsgesprek gepland met de cliënt. De bevoegdheid om onderzoek te doen nadat een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget is toegekend is overigens ook neergelegd in artikel 2.3.9 van de wet.
De aanvraag
Vanaf het moment dat de cliënt een aanvraag indient, is er sprake van enige vorm van juridisering. Dit heeft met name tot doel om de rechtszekerheid van de cliënt te waarborgen. Het college beslist in principe binnen twee weken op de aanvraag.
Pas na verstrekking van een verslag of een plan van aanpak kan een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek (het vraagverhelderingsgesprek) niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 negende lid van de wet). Om onnodige administratieve lasten voor zowel de burger als het college te voorkomen kan een verslag of plan van aanpak voorzien van de NAW-gegevens én een handtekening van de cliënt, als aanvraag worden aangemerkt.
Inhoud beschikking
De cliënt moet op basis van de toekenningsbeschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de inhoud van de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. Mede met het oog op het te leveren maatwerk zijn in artikel 14.7 van de Verordening de onderwerpen opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.
Advisering
In het algemeen geldt dat het college allereerst een standpunt moet innemen of het zelf over de deskundigheid beschikt om de aanspraak op een maatwerkvoorziening te kunnen beoordelen. Daarvoor moet het college zelf in staat zijn:
de beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en participatie te kunnen vaststellen (wettelijk toetsingskader)
te beoordelen of er in het individu gelegen omstandigheden zijn waaraan het recht op een pgb in de weg staat (wettelijke voorwaarden)
de goedkoopst passende bijdrage (maatwerkvoorziening) te indiceren en te selecteren aan de hand van de door een arts (of iemand die functioneert op vergelijkbaar niveau) vastgestelde (medische) beperkingen
zaken van technische aard te beoordelen, zoals die bij woningaanpassingen aan de orde kunnen zijn. Denk bijvoorbeeld aan de mogelijkheden van een inpandige woningaanpassing.
De Wmo consulent zal hiertoe via een het vraagverhelderingsgesprek of nadat de aanvraag is ingediend de relevante sociaal-medische en ergonomische gegevens van een cliënt in kaart brengen en vervolgens een advies geven. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de systematiek en de terminologie van de ICF.
Advies vragen
Als vuistregel geldt dat als dat oordeel betrekking heeft op een medische kwalificatie van lichamelijke of geestelijke gebreken en de beperkingen die daaruit kunnen voortvloeien, het college in beginsel niet ter zake kundig zal zijn (vergelijk CRVB:2009:BK4567 en CRVB:2012:BY0324). Afhankelijk van de aard van de problematiek moet het college de cliënt laten oproepen door een deskundige die (zonodig) op het niveau van een arts functioneert. Gaat het niet om het vaststellen van beperkingen dan kan het advies bijvoorbeeld ook door een paramedicus worden gegeven.
Het college kan advies vragen gedurende de procedure (melding, onderzoek of alvorens te beslissen op de aanvraag). Ook indien het college het besluit heroverweegt als bedoeld in artikel 2.3.9 van de wet kan er aanleiding om advies op te vragen. Het college is dus niet verplicht om advies op te vragen.
Beoordeling advies
De inhoud van het (medische) advies wordt beoordeeld aan de hand van de volgende indicatoren:
Onderzoeksmethode en informatie
Hieruit moet blijken op welke datum, manier en plaats door welke adviseur (naam en zijn deskundigheid) onderzoek is verricht. Dat kan door een huisbezoek, een telefoongesprek, maar ook zonder de cliënt te spreken. In dat laatste geval heeft mogelijk alleen dossieronderzoek plaatsgevonden of heeft de adviseur contact gehad met de behandelende sector, bijvoorbeeld de huisarts of een andere behandelaar. Dat moet blijken uit het advies. Ook moet het advies vermelden of de adviseur zelf (lichamelijk) onderzoek heeft gedaan, en zo niet, wat daarvan de reden is.
Is het advies alleen gebaseerd op een anamnese, dan kan het onvolledig zijn. Uit het advies moet blijken hoe de anamnese zich verhoudt tot resultaten van het (eigen) onderzoek en/of de conclusies die daaraan worden verbonden.
Uit advies moet blijken wat de deskundigheid is van de adviseur. Dat kan blijken uit de ondertekening van het advies.
Is de cliënt onder behandeling en is zijn behandelaar niet geraadpleegd, dan moet het advies vermelden waarom de adviseur dat niet noodzakelijk acht.
Het advies moet gebaseerd zijn op actuele feiten en gegevens. De term 'actueel' laat zich niet als standaard kwantificeren, maar is afhankelijk van de individuele situatie.
Uit het advies moet blijken volgens welke maatstaven het onderzoek is verricht.
Heeft de adviseur intercollegiaal overleg gevoerd, dan moet het advies vermelden waar dat overleg betrekking op had en wat de invloed is geweest op de inhoud en de conclusie(s) van het advies.
De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is.
Als de adviseur (namens het college) een expertiseonderzoek laat uitvoeren, dan mag aan die deskundige worden gevraagd beperkingen vast te stellen. In die gevallen worden zware eisen gesteld aan de deskundigheid van die adviseur.
Probleemanalyse in het advies
Hieruit moet inzichtelijk blijken of de cliënt (langdurig) beperkingen ondervindt in zijn zelfredzaamheid en participatie. En zo ja, welke dat zijn én of die beperkingen moeten leiden tot het verlenen van een maatwerkvoorziening of juist niet omdat gebruik gemaakt kan worden van andere oplossingen Het college moet uit het advies kunnen opmaken dat er beperkingen worden ondervonden in de zelfredzaamheid en participatie.
In het advies moeten allereerst alle relevante feiten worden vermeld die tijdens het onderzoek naar voren zijn gekomen en vervolgens moeten deze feiten zijn betrokken in de probleemanalyse en de conclusie(s).
Het advies moet vermelden wat bijvoorbeeld de stoornis (verlies van functies of anatomische eigenschappen) is en welke beperkingen (problemen bij uitvoeren van activiteiten) daar uit voorvloeien.
Het advies zelf mag geen diagnose bevatten, omdat het advies dan niet meer objectief is.
Het is van belang dat het advies vermeldt wat de prognose van de beperkingen is, zo mogelijk met een tijdpad. Een prognose kan progressief of stationair zijn.
Inhoud, motivering en gegevens van het advies
Het advies moet inzichtelijk en logisch zijn.
De bevindingen van de adviseur moeten zodanig zijn gepresenteerd dat controle ervan (ook) door een andere deskundige mogelijk is.
Het advies moet zijn voorzien van een deugdelijke en voor derden kenbare schriftelijke motivering.
Conclusie(s) en ondertekening van het advies
De conclusie(s) van de adviseur moeten aansluiten op zijn bevindingen en mogen daar zeker niet mee in tegenspraak zijn.
Het advies wordt ondertekend door de adviseur zelf en eventueel (ook) door de adviseur (meestal een arts) onder wiens verantwoordelijkheid het advies tot stand is gekomen.
Het advies moet vermelden dat de strekking ervan is verteld aan de cliënt en of deze zich daar in kan vinden.