Om een goed inzicht te krijgen in de verplaatsingsbehoefte is het vaststellen van het verplaatsingsgedrag noodzakelijk. Om de vervoersbehoefte in kaart te brengen kunnen onder andere de volgende vragen gesteld worden:
Hoe verplaatst de burger zich nu?
Waar wil de burger naartoe?
Wat is de reden van de verplaatsingen?
Wat zijn de (andere) mogelijkheden van de burger om zich te verplaatsen?
Wat is de frequentie van de verplaatsingen?
Hoe verplaatste de burger zich voorheen naar die bestemmingen?
Is de burger in staat om veilig gebruik te maken van een eventuele maatwerkvoorziening?
Met het treffen van een maatwerkvoorziening wordt beoogd de bewegingsvrijheid van de burger met beperkingen op zodanige wijze te verruimen, dat de burger in aanvaardbare mate kan participeren en zelfredzaam is.
Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is komen vast te staan dat de te verstrekken vervoersvoorziening de maatschappelijke participatie door middel van lokale verplaatsingen met tenminste een omvang per jaar van 1500 kilometer mogelijk zal maken, of zoveel minder als noodzakelijke is, op basis van de vervoersbehoefte van de burger.
Het streven is om de oplossing voor het vervoersprobleem zoveel mogelijk met één voorziening te realiseren. Hiermee wordt voorkomen dat er maatwerkvoorzieningen niet gebruikt worden of onnodig worden verstrekt.
Als de vervoersbehoefte duidelijk is, wordt onderzocht op welke wijze het gewenste resultaat behaald kan worden. Hierbij wordt rekening gehouden met de Eigen Kracht, Voorliggende en Algemene voorzieningen. Een maatwerkvoorziening wordt alleen ingezet als uit het onderzoek is gebleken dat deze noodzakelijk is om in voldoende mate te participeren en zelfredzaam te zijn.
Hoofdstuk 5.
Artikel 5.1.2
Vervoersbehoefte
Onderdeel van Uitvoeringsregels maatwerkvoorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Haarlem 2016