Naar hoofdinhoud
De inzet van een maatwerkvoorziening op het gebied van de huishoudelijke ondersteuning heeft als doel een bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid. Zelfredzaamheid is in de Wmo 2015 gedefinieerd als: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemeen dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kan bijdragen aan dit resultaat door ondersteuning te bieden op het gebied van huishoudelijke taken en lichte begeleiding bij het realiseren van een gestructureerd huishouden. In dit hoofdstuk wordt het afwegingskader van de gemeente op het gebied van de huishoudelijke ondersteuning uiteengezet. Bij het bepalen of er toegang is tot de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning zijn de volgende uitgangspunten van belang: De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk Onder een leefeenheid wordt verstaan ‘een eenheid bestaande uit gehuwden of met gehuwden gelijk te stellen personen die al dan niet samen met een of meer andere personen duurzaam een huishouden voeren’. De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden, met inbegrip van het bevorderen en in stand houden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. In de volgende situaties is er geen sprake van een leefeenheid, die een gezamenlijk huishouden voert: Bij kamerverhuur (op basis van een huurovereenkomst). Als er sprake is van kamerverhuur, wordt de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden gerekend. Van huurders kan niet verwacht worden dat zij de huishoudelijke taken overnemen; er is geen sprake van familiebanden. Er moet wel een huurovereenkomst aanwezig zijn. Als mensen zelfstandig samenwonen op een adres en gemeenschappelijke ruimten delen, wordt verondersteld dat het aandeel in het schoonmaken van die ruimten bij uitval van een van de leden wordt overgenomen door de andere leden van een leefeenheid. bij bewoners van een kloostergemeenschap of andere gemeenschappelijke woonvorm. Bij kloostergemeenschappen bijvoorbeeld is wel sprake van een leefeenheid, maar is over het algemeen een taakverdeling, die zich niet leent voor overname. In die situaties kan wel een indicatie gesteld worden voor bijvoorbeeld het schoonmaken van de eigen kamer indien men dit zelf niet meer kan. Gemeenschappelijke ruimten die kenmerkend voor kloosters zijn worden niet meegenomen in de indicatie (bibliotheken, gebedsruimten, gemeenschapsruimten) en behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de gemeenschap. Bijzonder woonvormen Naast reguliere woonvormen kennen we een aantal bijzondere woonvormen. Dit zijn vormen van begeleid wonen, al dan niet in een groepsvorm, ten behoeve van mensen met bijvoorbeeld een verstandelijke beperking of een (psycho)geriatrische, psychosociale of psychiatrische aandoening. Het gaat vaak om kleinschalige woonvormen op basis van een particulier initiatief of een samenwerkingsverband tussen een zorgaanbieder en woningbouw corporatie. Uitganspunt bij de toegang tot een maatwerkvoorziening is daarbij de profilering van de instelling en de wijze waarop toegang wordt verkregen. Als sprake is van een indicatie vanuit de Wlz worden alle noodzakelijke voorzieningen vanuit de Wlz gefinancierd. Revalideren Als wordt geconstateerd dat de beperkingen nog kunnen verbeteren of herstellen met adequate behandelmogelijkheden zal in de regel geen maatwerkvoorziening worden geïndiceerd. Er kan wel huishoudelijke ondersteuning naast een te volgen behandeling of revalidatie verstrekt worden als dit een behandelplan niet doorkruist (anti-revaliderende werking). Meestal is hiervan geen sprake bij huishoudelijke ondersteuning. Hierover is afstemming met de behandelaar nodig. Een dergelijke indicatie heeft dan een korte geldigheidsduur, afhankelijk van de duur van het behandel- of revalidatietraject.

Rechtspraak bij dit artikel