**1..** Teelaarde, zand, funderingsmateriaal en overige bouwstoffen moeten elk gescheiden worden ontgraven.
**2..** Bij het aanvullen van opbrekingen moeten de grondsoorten en de bouwstoffen worden aangebracht in de oorspronkelijke lagen en laagdikten.
**3..** De werkzaamheden worden zo mogelijk uitgevoerd in droge omstandigheden.
**4..** Indien voor het onttrekken van grondwater een vergunning of melding vereist is, moet de aanbieder zorg dragen voor de verkrijging daarvan. De aanbieder draagt de kosten voor het verkrijgen en het voldoen aan de bepalingen van deze vergunning of melding.
**5..** Aanvullingen moeten laagsgewijs (maximaal 30 cm per laag) worden verdicht.
**6..** De verdichting van de aanvulling, genoemd in het vorige lid van dit artikel, dient zodanig te geschieden dat de oorspronkelijke dichtheid voorafgaande aan het ontgraven zo goed mogelijk wordt benaderd. Om dit resultaat te bereiken moet in ieder geval de bovenste laag verdicht worden met mechanische apparatuur. Waar mogelijk moet er laagsgewijs mechanisch worden verdicht.
**7..** De proctordichtheid van de aanvullingen onder verhardingen mag na verdichten niet meer dan 3% in negatieve zin afwijken van de oorspronkelijke proctordichtheid, zoals deze op korte afstand naast de opbreking wordt aangetroffen.
**8..** De verdichtingsgraad van zand, dat in aanvullingen onder verhardingen is verwerkt, moet ten minste:
98% bedragen voor het zandbed van rijbanen en voet- en fietspaden op zandondergrond en van rijbanen op klei-ondergrond;
97% bedragen voor het zandbed van rijbanen op veenondergrond en voet- of fietspaden op kleiondergrond;
96% bedragen voor het zandbed van voet- en fietspaden op veenondergrond.
**9..** De controle van de verdichting tijdens de uitvoering mag geschieden met behulp van een handsondeerapparaat, mits de conuswaarde wordt gerelateerd aan een voor de te verdichten sleufaanvulling representatief proefvak.
Hoofdstuk 2
Artikel Grondwerk