**1..** De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde
gemeenteambtenaar legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag
waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening
van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar
zijn mening rechtvaardigt.
**2..** De bepaling van het bedrag van een voorlopige aanslag die wordt
vastgesteld in het tijdvak waarover de belasting wordt geheven, dan wel
na het tijdstip waarop de belastingschuld is ontstaan kan: a. voor de
rioolheffing en de afvalstoffenheffing geschieden op grond van de
gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente
belastingaanslag over, dan wel met betrekking tot het meest recente
tijdvak, met dien verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening
kan worden gehouden met wijzigingen in de wettelijke bepalingen
betreffende de heffing van de gemeentelijke belasting alsmede met andere
wijzigingen die voor de heffing van de gemeentelijke belasting van
belang kunnen zijn. Ingeval de belastingplichtige aannemelijk maakt dat
het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld lager
is dan het op de voet van de vorige volzin berekende bedrag, wordt de
voorlopige aanslag gesteld op dit lagere bedrag; b. voor de
toeristenbelasting geschiedt op grond van het gemiddelde dat voortvloeit
uit de gegevens die hebben gediend ter vaststelling van de meest recente
belastingaanslag over elk van de drie voorafgaande jaren, met dien
verstande dat daarbij op benaderende wijze rekening kan worden gehouden
met wijzigingen in de wettelijke bepalingen betreffende de heffing van
de gemeentelijke belasting alsmede met andere wijzigingen die voor de
heffing van de gemeentelijke belasting van belang kunnen zijn. Ingeval
de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het bedrag waarop de aanslag
vermoedelijk zal worden vastgesteld lager is dan het op de voet van de
vorige volzin berekende bedrag, wordt de voorlopige aanslag gesteld op
dit lagere bedrag.