1. Het college stelt jaarlijks het subsidieplafond vast voor de volgende beleidsterreinen die deel uitmaken van de incidentele subsidies:
a. jeugden jongerenwerk;
b. ouderenwerk;
c. sport;
d. amateurkunst;
e. kunst en cultuur.
2. Het college stelt jaarlijks het subsidieplafond vast voor de volgende beleidsterreinen die deel uit maken van de structurele en budgetsubsidies:
a. sociaalcultureel werk algemeen;
b. ouderenwerk;
c. bibliotheekwerk;
d. educatie, vormingsen ontwikkelingswerk voor volwassenen;
e. opbouwwerk;
f. kunstzinnige vorming;
g. amateurkunst;
h. volkscultuur;
i. jeugden jongerenwerk;
j. peuterspeelzaalwerk;
k. sport;
l. algemeen maatschappelijk werk;
m. maatschappelijke ondersteuning;
n. vrijwillige hulp;
o. volksgezondheid;
p. godsdienst c.q. levensbeschouwelijk vormingsonderwijs;
q. bijzondere begraafplaatsen;
r. toerisme en recreatie.
3. Nadere omschrijvingen van de vorenvermelde beleidsterreinen staan vermeld in de bij dit besluit behorende en als zodanig aangegeven bijlage I.
4. Het college kan ook voor andere beleidsterreinen, zoals bedoeld in lid 1 en 2, een subsidieplafond vaststellen.