Een bestemmingsplan kan op grond van art. 3.6 lid 1 sub c Wet ruimtelijke ordening bepalen dat het college van burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning kan verlenen op grond van art. 2.12 lid 1 sub a onder 1o Wabo waarbij wordt afgeweken van bij het plan aan te geven regels (de “binnenplanse afwijking”).
De binnenplanse afwijking wordt voornamelijk gebruikt om 10% af te wijken van de maatvoering genoemd in het bestemmingsplan. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan het verhogen van goot- en bouwhoogte met 10%, het vergroten van de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en het vergroten van de inhoud van een woning. Om te voorkomen dat voor elk verzoek om een “10%-omgevingsvergunning” een motivering op maat moet worden geleverd, zijn deze beleidsregels opgesteld. In bijna alle bestemmingsplannen wordt de mogelijkheid geboden 10% af te wijken van de in het bestemmingsplan beschreven maatvoering door het verlenen van een omgevingsvergunning. Let hierbij wel op dat wanneer het bestemmingsplan deze afwijkingsmogelijkheid niet kent, deze beleidsregels ook niet toepasbaar zijn.
Medewerking verlenen aan deze mogelijkheid gebeurt op basis van de volgende criteria:
Wanneer door het toestaan van de 10% afwijking er bouwkundig of stedenbouwkundig een betere aansluiting ontstaat met bestaande direct aansluitende bouwwerken; of
Wanneer bij woningen in hetzelfde blok voor een afwijking van maximaal 10% toestemming is verleend voor een gelijke verhoging en/of vergroting van het gebouw; of
Wanneer maximaal 10% afwijking op basis van een mantelzorg-situatie noodzakelijk is; of
Wanneer de uitbreiding ten dienste van een bedrijf/beroep aan huis is en wordt aangetoond dat vanuit wettelijke vereisten een vergroting van maximaal 10% van de maatvoering noodzakelijk is.
Hoofdstuk
Artikel Binnenplanse afwijkingen