De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur gekozen.
De voorzitter van het algemeen bestuur is ook voorzitter van
het dagelijks bestuur.
Bij verhindering van de voorzitter wordt deze vervangen door een
ander lid van het algemeen bestuur, aan te wijzen door het
algemeen bestuur, uitgezonderd uit de leden van het algemeen
bestuur die daartoe zijn aangewezen door de raad van die
deelnemende gemeente waaruit de voorzitter is gekozen.
De voorzitter en plaatsvervangend voorzitter treden af op de
dag waarop de zittingsperiode van de leden van het algemeen
bestuur afloopt. Zij blijven hun functie echter waarnemen totdat
hun opvolgers deze functie hebben aanvaard.
Indien tussentijds de functie van voorzitter beschikbaar komt,
wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuwe
voorzitter aan; zulks met inachtneming van het bepaalde in het
eerste lid van dit artikel. Gaat het beschikbaar komen van de
functie van voorzitter gepaard met het openvallen van een plaats
in het algemeen bestuur, dan zal het algemeen bestuur het
aanwijzen van een nieuwe voorzitter uitstellen totdat de
opengevallen plaats in het algemeen bestuur weer is bezet.
Degene die als voorzitter ontslag neemt, blijft zijn/haar
functie waarnemen totdat een opvolger de functie heeft aanvaard.
Het bepaalde in de eerste tot en met derde volzin is van
overeenkomstige toepassing op het tussentijds beschikbaar komen
van de functie van plaatsvervangend voorzitter, met dien
verstande dat ten aanzien van de nieuwe aanwijzing het derde lid
van dit artikel van overeenkomstige toepassing is.