Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Begripsbepalingen

Onderdeel van VERORDENING SCHEEPVAARTRECHTEN MIDDELBURG 2017

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: vaartuig: alle vaartuigen daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en pontons en duwbakken; binnenvaartschip: een vaartuig - niet zijnde een recreatievaartuig - dat uitsluitend wordt gebruikt voor de vaart op de binnenwateren; vrachtschip: een binnenvaartschip dat hoofdzakelijk gebruikt wordt voor het vervoer van goederen; passagiersschip: een vaartuig dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig vervoer van personen; sleepboot: een vaartuig dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor het slepen of duwen van andere vaartuigen; vissersschip: een vaartuig dat hoofdzakelijk gebruikt wordt en bestemd is voor het vangen van vis en andere levende wezens; recreatievaartuig: een vaartuig, dat hoofdzakelijk wordt gebruikt en bestemd is voor de recreatie, niet zijnde een passagiersschip; zeeschip: een vaartuig - niet zijnde een sleepboot of vissersschip - dat in hoofdzaak wordt gebruikt voor de vaart op zee; meetbrief: het document als bedoeld in artikel 782, vierde lid, van het Wetboek van Koophandel, juncto het besluit van 24 oktober 1983, Staatsblad 548 (Besluit binnenschependocumenten); laadvermogen: het in tonnen uitgedrukte verschil tussen de zoetwaterverplaatsing van het schip bij de grootst toegelaten diepgang en die van het ledige schip; een ton: een massa van 1.000 kg; schipper: degene die op het vaartuig het gezag uitoefent of degene die hem vervangt, dan wel als zodanig optreedt; voor het geval noch de schipper noch diens plaatsvervanger aanwezig is, wordt de eigenaar of gebruiker van het vaartuig aangemerkt als schipper.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel