12.1. Doelgroep en doel van de proefplaatsing
Het college kan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, onderdeel a, onder 1,2,3,5 en 6, van de wet en die behoort
tot de doelgroep loonkostensubsidie voor wie de plicht tot
arbeidsinschakeling geldt, verder in dit artikel 12 genoemd
kandidaat ,maximaal 3 maanden bij een werkgever onbeloonde
werkzaamheden laten verrichten met als doel:
te komen tot een reële vaststelling van de loonwaarde en
te beoordelen of er een goede match valt te maken tussen
kandidaat, het werk en de werkgever met als doel duurzame
uitstroom naar regulier werk .
12.2. Voorwaarden met betrekking tot de
proefplaatsing.
Een proefplaatsing kan alleen plaatsvinden als de werkgever de
intentie heeft de persoon als bedoeld in artikel 12.1 lid 1 na
de periode van de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst van
tenminste 26 weken aan te bieden.
De duur van de proefplaatsing wordt vastgesteld op basis van
afstand tot de arbeidsmarkt, opleidingsniveau, uitkeringsduur,
complexiteit van de functie en persoonlijke omstandigheden van
de kandidaat en zolang als nodig is voor de werkgever en het
college om zich een beeld te vormen van de geschiktheid van de
kandidaat
12.3. Toestemming en aanvullende
ondersteuning
Gedurende de proefplaatsing krijgt de kandidaat toestemming te
werken met behoud van uitkering.
De werkgever krijgt geen vergoeding voor salariskosten.
Wanneer de werkgever gedurende de proefplaatsing geen
onkostenvergoeding verstrekt, kan aan de kandidaat een
onkostenvergoeding worden verstrekt.
12.4. Overeenkomst tot
proefplaatsing
In een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en de
kandidaat wordt tenminste het doel van de proefplaatsing
vastgelegd, namelijk dat na deze periode een arbeidscontract met
een minimumperiode van 26 weken wordt aangeboden, alsmede wie de
begeleider van de kandidaat is.
De overeenkomst wordt vastgelegd in een intentieverklaring
tussen werknemer en werkgever.
12.5 Concurrentieverhouding.
Het college plaatst een kandidaat alleen wanneer door plaatsing
de concurrentie- verhoudingen niet onverantwoord worden
beïnvloed en wanneer door plaatsing geen verdringing van
regulier werk plaatsvindt.