Naar hoofdinhoud

Artikel 12

Proefplaatsing

Onderdeel van Participatiebesluit Smallingerland 2016

12.1. Doelgroep en doel van de proefplaatsing Het college kan een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, onder 1,2,3,5 en 6, van de wet en die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie voor wie de plicht tot arbeidsinschakeling geldt, verder in dit artikel 12 genoemd kandidaat ,maximaal 3 maanden bij een werkgever onbeloonde werkzaamheden laten verrichten met als doel: te komen tot een reële vaststelling van de loonwaarde en te beoordelen of er een goede match valt te maken tussen kandidaat, het werk en de werkgever met als doel duurzame uitstroom naar regulier werk . 12.2. Voorwaarden met betrekking tot de proefplaatsing. Een proefplaatsing kan alleen plaatsvinden als de werkgever de intentie heeft de persoon als bedoeld in artikel 12.1 lid 1 na de periode van de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst van tenminste 26 weken aan te bieden. De duur van de proefplaatsing wordt vastgesteld op basis van afstand tot de arbeidsmarkt, opleidingsniveau, uitkeringsduur, complexiteit van de functie en persoonlijke omstandigheden van de kandidaat en zolang als nodig is voor de werkgever en het college om zich een beeld te vormen van de geschiktheid van de kandidaat 12.3. Toestemming en aanvullende ondersteuning Gedurende de proefplaatsing krijgt de kandidaat toestemming te werken met behoud van uitkering. De werkgever krijgt geen vergoeding voor salariskosten. Wanneer de werkgever gedurende de proefplaatsing geen onkostenvergoeding verstrekt, kan aan de kandidaat een onkostenvergoeding worden verstrekt. 12.4. Overeenkomst tot proefplaatsing In een schriftelijke overeenkomst tussen de werkgever en de kandidaat wordt tenminste het doel van de proefplaatsing vastgelegd, namelijk dat na deze periode een arbeidscontract met een minimumperiode van 26 weken wordt aangeboden, alsmede wie de begeleider van de kandidaat is. De overeenkomst wordt vastgelegd in een intentieverklaring tussen werknemer en werkgever. 12.5 Concurrentieverhouding. Het college plaatst een kandidaat alleen wanneer door plaatsing de concurrentie- verhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en wanneer door plaatsing geen verdringing van regulier werk plaatsvindt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel