Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Een bijbehorend bouwwerk bij een woning binnen de bebouwde kom

Onderdeel van Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden 2016

Het wettelijk kader luidt als volgt: Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van een bestemmingsplan een omgevingsvergunning verlenen voor een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan binnen de bebouwde kom. Het aantal woningen moet gelijk blijven. Hiervoor gelden de volgende specifieke beleidsregels: Voor een bijbehorend bouwwerk vòòr de voorgevellijn of aan de zijgevel buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak: erkers, balkons en bordessen mogen maximaal uit 1 bouwlaag bestaan en maximaal 1 meter diep zijn; ingangspartijen mogen maximaal 2 meter diep zijn met een maximaal toelaatbare oppervlakte van 6 m² en een maximale totale hoogte van 3 meter. Voor een bijbehorend bouwwerk aan de zij- en/of achtergevel: bij vrijstaande woningen bedraagt de afstand van alle gebouwen op het perceel tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter, tenzij het zijerf naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, dan bedraagt de afstand ten minste 3 meter, waarbij aan een zijde van het perceel een strook van minimaal 3 meter breed over de volle lengte van het perceel vrij moet blijven; bij twee-aaneen woningen bedraagt de afstand van alle gebouwen op het perceel tot de zijdelingse perceelsgrens aan één zijde minimaal 1 meter; het bijbehorend bouwwerk wordt minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning gebouwd; de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het zij- en achtererf, gelegen buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak, mag maximaal 50% bedragen met een maximum van 40 m²; indien het achtererf gelegen buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak gelijk aan of groter is dan 240 m²; mag aan bijbehorende bouwwerken in totaal maximaal 1/6 van het achtererf buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak worden gebouwd op het zij- en achtererf tot een maximale oppervlakte van 100 m², de goothoogte bedraagt maximaal 3,3 meter en de totale hoogte bedraagt maximaal 6 meter; gebouwen worden aaneen gebouwd of met een minimale afstand van 1 meter tussen gebouwen. Voor een vrijstaand bijbehorend bouwwerk: bij vrijstaande woningen bedraagt de afstand van alle gebouwen op het perceel tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal 1 meter, tenzij het zijerf naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd, dan bedraagt de afstand ten minste 3 meter, waarbij aan een zijde van het perceel een strook van minimaal 3 meter breed over de volle lengte van het perceel vrij moet blijven; het bijbehorend bouwwerk wordt achter (het verlengde van de) achtergevel van de woning gebouwd; de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het zij- en achtererf, gelegen buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak, mag maximaal 50% bedragen met een maximum van 40 m²; indien het achtererf gelegen buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak gelijk aan of groter is dan 240 m²; mag aan bijbehorende bouwwerken in totaal maximaal 1/6 van het achtererf buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak worden gebouwd op het zij- en achtererf tot een maximale oppervlakte van 100 m², de goothoogte bedraagt maximaal 3,3 meter en de totale hoogte bedraagt maximaal 6 meter; gebouwen worden aaneen gebouwd of moet een minimale afstand van 1 meter tussen gebouwen. Gronden buiten het bouwvlak of met de aanduiding ‘zonder gebouwen’, ‘landschappelijk waardevol’ of soortgelijke aanduidingen en gronden met de bestemming ‘natuur’, ‘tuin’ en soortgelijke bestemmingen mogen in principe niet worden bebouwd. Dit betekent dat voor deze gronden geen omgevingsvergunning wordt verleend in afwijking van het bestemmingsplan en dat bovenstaande specifieke beleidsregels onder B, C en D in principe niet gelden voor deze gronden. Slechts wanneer op deze gronden krachtens het bestemmingsplan wel gebouwen mogen worden gebouwd, kunnen bovenstaande specifieke beleidsregels onder B, C en D wel worden toegepast. Voor een overschrijding van de maximaal toelaatbare goothoogte uit het bestemmingsplan met een maximum van 1 meter, onder de volgende voorwaarden: in verband met architectonische accenten; er is een positief advies van de WMC; afweging op grond van het algemeen afwegingskader. Indien een project, dat niet valt onder artikel 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht enkel en alleen omdat het plaatsvindt op, aan of bij een monument of in een beschermd stad- of dorpsgezicht, in strijd is met het geldende bestemmingsplan, dan kan de omgevingsvergunning alsnog worden verleend in afwijking van het bestemmingsplan. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden: er is een positief advies van de WMC; afweging op grond van het algemeen afwegingskader. In geval van projecten die bestaan uit bijbehorende bouwwerken voor mensen met een beperking en waarvoor, bijvoorbeeld op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, een noodzaak aanwezig is, bestaat de mogelijkheid om op grond hiervan een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen, voor zover de noodzaak aangetoond is. Per geval zal een afweging gemaakt worden. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van het algemeen afwegingskader. Voor een overschrijding van de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het zij- en achtererf, gelegen buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak en/of het plaatsen van een mantelzorgwoning binnen/buiten het achtererf onder de volgende voorwaarden: De mantelzorgontvanger overlegt een verklaring waaruit de behoefte blijkt voor mantelzorg als bedoeld in artikel 1 van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor); Het huishouden in de mantelzorgwoning bestaat uit maximaal twee personen, van wie tenminste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning die krachtens het bestemmingsplan toelaatbaar is; Er is geen sprake van onevenredige aantasting van in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen die van omwonenden en omliggende bedrijven, de verkeersveiligheid, de stedenbouwkundige structuur en/of milieu hygiënische belemmeringen (bijvoorbeeld geluid, fijnstof, (uit)zicht of externe veiligheid); De mantelzorgwoning mag zowel binnen als buiten het achtererf worden gesitueerd, maar dient zoveel mogelijk een ruimtelijke eenheid te vormen met de (dienst) woning op het betreffende bouwperceel. De mantelzorgwoning mag op een afstand van maximaal 50 meter worden geplaatst van deze woning; Naast de oppervlakte die voor bijbehorende bouwwerken is toegestaan, bedraagt de oppervlakte van de mantelzorgwoning maximaal 80 m² en de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij het hoofdgebouw bestrijkt maximaal 50% van het achtererfgebied met een bouwhoogte van maximaal 5 meter; De afstand van de mantelzorgwoning tot de perceelgrenzen moet minimaal 1 meter bedragen; De mantelzorgwoning dient binnen 26 weken nadat de mantelzorgrelatie is beëindigd te zijn verwijderd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel