Het wettelijke kader luidt als volgt:
Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van een bestemmingsplan een omgevingsvergunning verlenen voor een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m.
Hiervoor geldt de volgende specifieke beleidsregel:
Onder de onderstaande aanvullende voorwaarden kan in afwijking van het bestemmingsplan medewerking worden verleend aan een omgevingsvergunning voor een antenne-installatie:
De antenne-installatie mag als zelfstandige mast worden geplaatst, mits gemotiveerd wordt dat er geen mogelijkheid is tot site-sharing op een bestaande mast of plaatsing op een nabijgelegen bouwwerk, zoals een gebouw of windturbine;
De antenne-installatie wordt in principe niet geplaatst in de directe nabijheid van een zelfstandige mast;
De antenne-installatie wordt in principe geplaatst in de directe nabijheid van bestaande bebouwing;
Ten aanzien van de locatiekeuze dient de volgende volgorde te worden gehanteerd:
Bedrijventerrein/industriegebied;
Jachthavens, sportvelden, verkeersknooppunten en parkeerplaatsen;
Buitengebied.
Plaatsing van een zelfstandige mast in de directe nabijheid van een woongebied is niet wenselijk;
De antenne-installatie mag geen afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van een gebouw en/of de omgeving;
De antenne-installatie mag in principe niet geplaatst worden in een beschermd natuurgebied;
De antenne-installatie moet voldoen aan redelijke eisen van welstand;
De antenne-installatie moet voldoen aan de normen uit het Nationaal Antennebeleid;
De antenne-installatie biedt de mogelijkheid tot site-sharing;
Het plan wordt voor advies voorgelegd aan de stedenbouwkundige;
Afhankelijk van de locatie dient de installatiekast landschappelijk te worden ingepast;
Indien noodzakelijk wordt er een overeenkomst gesloten voor de landschappelijke inpassing.
Artikel 10
Een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 m
Onderdeel van Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden 2016