Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Een bijbehorend bouwwerk bij een woning buiten de bebouwde kom

Onderdeel van Beleidsregels planologische afwijkingsmogelijkheden 2016

Het wettelijk kader luidt als volgt: Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van een bestemmingsplan een omgevingsvergunning verlenen voor een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen: niet hoger dan 5 meter, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouwen van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf, de oppervlakte niet meer dan 150 m². Het aantal woningen moet gelijk blijven. Hiervoor gelden de volgende specifieke beleidsregels: Voor een bijbehorend bouwwerk aan de zij- en/of achtergevel: de inhoud van een woning, inclusief aangebouwde bijbehorende bouwwerken, bedraagt ten hoogste 750 m³ mits de woning stedenbouwkundig goed past in zijn omgeving en een positief advies van de milieudeskundige is ontvangen; bij vrijstaande woningen bedraagt de afstand van alle gebouwen op het perceel tot de zijdelingse perceelsgrens aan ten minste één zijde minimaal 3 meter, waarbij aan een zijde van het perceel een strook van minimaal 3 meter breed over de volle lengte van het perceel vrij moet blijven; bij alle andere soorten woningen bedraagt de afstand van alle gebouwen op het perceel tot de zijdelingse perceelsgrens aan een zijde minimaal 1 meter; het bijbehorend bouwwerk wordt minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van de woning gebouwd; de goothoogte bedraagt maximaal 3,3 meter en de totale hoogte bedraagt maximaal 5 meter; gebouwen worden aaneen gebouwd of moet een minimale afstand van 1 meter tussen gebouwen. Voor een vrijstaand bijbehorend bouwwerk: bij vrijstaande woningen bedraagt de afstand van alle gebouwen op het perceel tot de zijdelingse perceelsgrens aan ten minste één zijde minimaal 3 meter; het bijbehorend bouwwerk wordt achter (het verlengde van de) achtergevel van de woning gebouwd; de oppervlakte van alle vrijstaande bijbehorende bouwwerken mag maximaal 60 m² bedragen; indien het achtererf gelegen buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak gelijk aan of groter is dan 240 m²; mag aan bijbehorende bouwwerken in totaal maximaal 1/6 van het achtererf buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak worden gebouwd op het zij- en achtererf tot een maximale oppervlakte van 100 m², de goothoogte bedraagt maximaal 3,3 meter en de totale hoogte bedraagt maximaal 5 meter; gebouwen worden aaneen gebouwd of moet een minimale afstand van 1 meter tussen gebouwen. C Gronden buiten het bouwvlak of met de aanduiding ‘zonder gebouwen’, ‘landschappelijk waardevol’ of soortgelijke aanduidingen en gronden met de bestemming ‘natuur’, ‘tuin’ en soortgelijke bestemmingen mogen in principe niet worden bebouwd. Dit betekent dat voor deze gronden geen omgevingsvergunning wordt verleend in afwijking van het bestemmingsplan en dat bovenstaande specifieke beleidsregels onder A en B in principe niet gelden voor deze gronden. Slechts wanneer op deze gronden krachtens het bestemmingsplan wel gebouwen mogen worden gebouwd, kunnen bovenstaande specifieke beleidsregels onder A en B wel worden toegepast. D Voor een overschrijding van de maximaal toelaatbare goothoogte uit het bestemmingsplan met een maximum van 1 meter, onder de volgende voorwaarden: in verband met architectonische accenten; er is een positief advies van de WMC; afweging op grond van het algemeen afwegingskader. E In geval van projecten die bestaan uit bijbehorende bouwwerken voor mensen met een beperking en waarvoor, bijvoorbeeld op grond van de Wet Maatschappelijk Ondersteuning, een noodzaak aanwezig is, bestaat de mogelijkheid om een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan te verlenen, voor zover de noodzaak aangetoond is. Per geval zal een afweging gemaakt worden. Hiervoor zal gebruik worden gemaakt van het algemeen afwegingskader. Voor een overschrijding van de maximale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken op het zij- en achtererf, gelegen buiten het bebouwingsvlak dan wel aanduidingsvlak en/of het plaatsen van een mantelzorgwoning binnen/buiten het achtererf onder de volgende voorwaarden: De mantelzorgontvanger overlegt een verklaring waaruit de behoefte blijkt voor mantelzorg als bedoeld in artikel 1 van bijlage 2 van het Besluit omgevingsrecht (Bor); Het huishouden in de mantelzorgwoning bestaat uit maximaal twee personen, van wie tenminste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning die krachtens het bestemmingsplan toelaatbaar is; Er is geen sprake van onevenredige aantasting van in het geding zijnde belangen, waaronder begrepen die van omwonenden en omliggende bedrijven, de verkeersveiligheid, de stedenbouwkundige structuur en/of milieu hygiënische belemmeringen (bijvoorbeeld geluid, fijnstof, (uit)zicht of externe veiligheid); De mantelzorgwoning mag zowel binnen als buiten het achtererf worden gesitueerd, maar dient zoveel mogelijk een ruimtelijke eenheid te vormen met de (dienst) woning op het betreffende bouwperceel. De mantelzorgwoning mag op een afstand van maximaal 50 meter worden geplaatst van deze woning; Naast de oppervlakte die voor bijbehorende bouwwerken is toegestaan, bedraagt de oppervlakte van de mantelzorgwoning maximaal 80 m² en de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij het hoofdgebouw bestrijkt maximaal 50% van het achtererfgebied met een bouwhoogte van maximaal 5 meter; De afstand van de mantelzorgwoning tot de perceelgrenzen moet minimaal 1 meter bedragen; Voor een bijbehorend bouwwerk (ingangspartij) voor de voorgevellijn van een woning geldt de volgende specifieke beleidsregel: de diepte van de ingangspartij mag, gerekend vanaf de voorgevel van de woning maximaal 1 meter zijn; de goothoogte van de ingangspartij mag niet meer bedragen dan 6,3 meter; de ingangspartij dient minimaal 1 m uit de erfgrens te worden geplaatst; de ingangspartij mag maximaal 1/3 van de breedte van de voorgevel beslaan; de ingangspartij mag niet worden gebruikt als (uitbreiding van) bergingen en schuren; er is een positief advies van de WMC.

Rechtspraak bij dit artikel