Het college kan besluiten tot beëindiging van de schulddienstverlening indien:
de verzoeker één of meerdere verplichtingen zoals genoemd in artikel 4 en 5 niet, niet tijdig of in onvoldoende mate nakomt en een door het college geboden termijn om alsnog te voldoen aan de geschonden verplichting(en) ongebruikt is verstreken;
de noodzaak tot schulddienstverlening niet langer aanwezig is, zoals beschreven in artikel 3 lid 1. De noodzaak ontbreekt in ieder geval als er geen sprake is van problematische schulden of als de verzoeker in staat moet worden geacht om de schuldenproblematiek zelf of met behulp van anderen aan te pakken;
er niet langer sprake is van een stabiel inkomen op minimaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm;
de verzoeker feitelijk niet woonachtig is op het adres waarop hij of zij staat ingeschreven in de basisregistratie personen;
de verzoeker intimiderend, dreigend en/of agressief gedrag vertoont jegens medewerkers van de gemeente of derden die namens of in samenwerking met de gemeente het schulddienstverleningstraject uitvoeren;
de verzoeker bezig is met een echtscheidingsprocedure en de echtscheiding nog niet is ingeschreven in de basisregistratie personen, voor zover dit, naar het oordeel van het college, van invloed is op de schulddienstverlening;
de verzoeker een gezamenlijke huishouding is gaan voeren met een niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner en/of kinderen en het totale inkomen minder is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, voor de alleenstaande ouder verhoogd met het bedrag aan kindgebondenbudget, indien er geen sprake zou zijn van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende partner en/of kinderen;
de verzoeker, naar het oordeel van het college, niet daadwerkelijk bereid is of onvoldoende gemotiveerd is om zijn financiële problemen aan te pakken;
de schulden zijn ontstaan, omdat de verzoeker niet te goeder trouw is geweest bij het laten ontstaan of onbetaald laten van de schulden;
het schulddienstverleningstraject succesvol is afgerond;
op verzoek van verzoeker zelf;
de verzoeker is komen te overlijden;
de verzoeker verhuist naar een andere gemeente, tenzij er sprake is van een lopende schuldregeling;
de geboden schulddienstverlening naar het oordeel van het college niet langer passend of noodzakelijk is;
op grond van onjuiste gegevens schulddienstverlening is toegekend, terwijl indien dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;
bekend is geworden dat de verzoeker in de periode van 5 jaar voorafgaand waarop het verzoek is ingediend, dan wel tijdens het schulddienstverleningstraject, fraude heeft gepleegd die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft gehad en in verband daarmee onherroepelijk strafrechtelijk is veroordeeld of een onherroepelijke bestuurlijke sanctie, die beoogt leed toe te voegen, is opgelegd, tenzij de opgelegde bestuurlijke sanctie, naar het oordeel van het college, geen belemmering vormt voor de schulddienstverlening.