De kenmerkende eigenschappen van de werkzaamheden die in de functie moeten worden uitgevoerd.
Dit kenmerk meet de mate van complexiteit van de werkzaamheden en in hoeverre een abstracte wijze van beschouwen nodig is om de werkzaamheden te verrichten. Een functie scoort hoger naarmate er sprake is van een grotere verwevenheid van factoren waarmee men bij het werk rekening moet houden.De scoreniveaus lopen langs twee nauw met elkaar samenhangende lijnen op. Langs de eerste lijn lopen de scoreniveaus op van het verrichten van op zich zelf staande werkzaamheden via het te maken krijgen met gangbare of nieuwe zaken en problemen naar het verrichten van integrale managementtaken. Langs de tweede lijn lopen de scoreniveaus op van in een vast patroon werken via interpretatie van zaken en problemen naar de ontwikkeling van strategieën, richtinggevend voor grote complexe organisaties die omvangrijke strategische beleidsterreinen omvatten.
Het betreft op zichzelf staande werkzaamheden die volgens een min of meer vast patroon worden verricht.
Er wordt een 1 gescoord indien het resultaat van de ene activiteit nauwelijks consequenties heeft voor de uitvoering van de andere activiteit. Het betreft eenvoudige, duidelijk gestructureerde activiteiten.
Het betreft met elkaar samenhangende werkzaamheden, waarbij interpretatie is vereist.
Er wordt een 2 gescoord indien de activiteiten niet los van elkaar kunnen worden uitgevoerd, maar met elkaar samenhangen. Er is een logisch verband, dat wil zeggen dat het resultaat van de ene activiteit automatisch gevolgen heeft voor de uitvoering van de andere. Bij het uitvoeren van de activiteiten is sprake van enige interpretatie; deze worden nog steeds volgens een min of meer vast patroon verricht. Bij een score 2 is over het algemeen sprake van een beoordeling, toetsing of controle.
Het betreft gangbare zaken en problemen, waarbij eigen interpretatie is vereist en oplossingen moeten worden aangedragen.
Er wordt een 3 gescoord indien bij het uitvoeren van de werkzaamheden zaken en problemen een rol spelen waarvan de behandeling vastligt in procedures en richtlijnen. Voor het inschatten van problemen is wel interpretatie nodig en dient er op basis van deze interpretatie gekozen te worden uit verschillende bekende oplossingen. Ook het analyseren en interpreteren van (statistische) gegevens en op basis daarvan aandragen van oplossingen en adviezen scoort een 3.
Het betreft minder gangbare of nieuwe zaken en problemen waarbij na analyse alternatieven, ontwerpen, adviezen, e.d. worden ontwikkeld, veelal in multidisciplinair verband.
Er wordt een 4 gescoord indien bij het uitvoeren van de werkzaamheden onbekende zaken en problemen een rol spelen. Alternatieven, nieuwe oplossingen, ontwerpen, adviezen e.d. kunnen pas worden ontwikkeld na analyse van de problematiek. Onder multidisciplinair verband wordt de interactie met andere (beleids)terreinen verstaan. Een score 4 wordt ook toegekend aan een leidinggevende functie van een beleidseenheid of grotere uitvoerende eenheid.
Het betreft het aansturen en ontwikkelen en vormgeven van theorieën, modellen, doelen en strategieën die richtinggevend zijn voor grote, complexe organisaties en/of als manager eindverantwoordelijkheid dragen voor grote complexe organisaties die omvangrijke strategische beleidsterreinen omvatten.
Er wordt een 5 gescoord bij functies waar de verantwoordelijkheid ligt voor het aansturen en ontwikkelen en vormgeven van theorieën, modellen, doelen en strategieën.