Het aantal vakantie-uren per jaar bedraagt voor:
ambtenaren ingedeeld tot en met bezoldigingsschaal 8: 158,4 uur;
ambtenaren ingedeeld in de overige bezoldigingsschalen: 165 uren.
Ten aanzien van de ambtenaar, die ingevolge de voor hem geldende werktijdenregeling gemiddeld op meer dan vijf dagen per week dienst verricht, worden voor een week vakantie niet meer dan vijf dienstdagen op zijn vakantie in mindering gebracht.
Het in lid 1 genoemde aantal vakantie-uren wordt verhoogd afhankelijk van de leeftijd, die de ambtenaar bereikt en wordt voor het desbetreffende jaar overeenkomstig de hiernavolgende tabel vastgesteld:
Leeftijd
Verhoging
tot 18 jaar
21,6 uur
19 jaar
14,4 uur
20 jaar
7,2 uur
van 30 t/m 39 jaar
7,2 uur
van 40 t/m 44 jaar
14,4 uur
van 45 t/m 49 jaar
21,6 uu
van 50 t/m 54 jaar
28,8 uur
van 55 t/m 59 jaar
36 uur
60 jaar en ouder
43,2 uur
Het in lid 3 onder a vermeld aantal uren bedraagt voor op of na 1 januari 1997 nieuw in dienst tredend personeel:
Leeftijd
Verhoging
tot 18 jaar
7,2 uur
45 t/m 49 jaar
7,2 uur
50 t/m 54 jaar
14,4 uur
55 t/m 59 jaar
21,6 uur
60 en ouder
28,8 uur
Indien in enig kalenderjaar de vakantie niet is verleend mogen maximaal 80 uren worden overgebracht naar het volgend kalenderjaar zonder dat daarvoor vooraf toestemming aan burgemeester en wethouders dient te worden gevraagd.
Hoofdstuk
Artikel 6:2:1:1