Voordat de WW ook op ambtenaren van toepassing werd, was in het modelreglement de bepaling opgenomen dat voor een ambtenaar die wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de verdere vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken werd ontslagen een afwijkende uitkeringsregeling kon worden vastgesteld, indien dat ontslag was te wijten aan eigen schuld of eigen toedoen van de betrokkene. Aangezien de WW een vergelijkbare bepaling bevatte is dat artikel sindsdien komen te vervallen. Tegelijk met de versobering van de WW is de zogeheten verwijtbaarheidtoets echter met ingang van 1 oktober 2006 versoepeld. Die versoepeling werkte daarmee automatisch door naar de bovenwettelijke uitkeringen.
Op grond van artikel 10d:10 van de CAR-UWO moet de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overleggen die van invloed kunnen zijn op de hoogte van die aanvullende uitkering. Er kan zich echter een situatie voordoen waarin de ambtenaar niet eigener beweging relevante informatie verschaft en eerst achteraf uit anderen hoofde bekend wordt dat hij in een bepaalde periode ten onrechte een aanvullende uitkering heeft genoten. Deze bepaling maakt het mogelijk zowel de aanvullende als de na wettelijke uitkering in die situatie geheel of gedeeltelijk vervallen te verklaren. Het gevolg daarvan kan niet alleen zijn dat een nog lopende uitkering wordt gestopt, maar ook dat een uitkering die op basis van onvolledige informatie is verstrekt van de betrokkene kan worden teruggevorderd. Daarnaast zijn in deze bepaling de overige gronden opgesomd die voorheen waren opgenomen in artikel 10:22 van de CAR-UWO en die voorheen aanleiding vormden voor het geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren van wachtgeld. Deze bepaling dekt namelijk ook een aantal gevallen die niet elders zijn geregeld en waarin ingrijpen in de bovenwettelijke uitkeringen geboden c.q. gerechtvaardigd is, zoals het aan het licht treden van nog tijdens het dienstverband gepleegd plichtsverzuim.
In artikel 3 lid 2 en 3 wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin een uitkering wordt geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid en waarin een sanctie wordt getroffen op een andere grond. Bij volledige weigering op die eerste grond vervalt de na wettelijke uitkering geheel, en bij een gedeeltelijke weigering op diezelfde grond voor de helft. Als geen sprake is van een sanctie die wordt getroffen in verband met verwijtbare werkloosheid, maar in verband met het niet naleven van enige andere wettelijke verplichting, wordt die naar evenredigheid toegepast op de na wettelijke uitkering.
Het gaat daarbij om maatregelen in de zin van het Maatregelenbesluit sociale zekerheidswetten, bijvoorbeeld in de situatie waarin een informatieverplichting wordt geschonden of waarin onvoldoende medewerking wordt verleend aan onderzoek, re-integratie en scholing. De maatregelen die op grond van deze bepaling kunnen doorwerken naar de na wettelijke uitkering lopen uiteen van een procentuele vermindering van het uitkeringsbedrag tot een blijvend gehele weigering van de uitkering.