Een deelnemer aan deze regeling kan uit het gemeenschappelijk orgaan treden door een daartoe strekkend besluit van het daartoe bevoegde orgaan van die deelnemer aan deze regeling.
Het in het eerste lid bedoelde besluit dient aan het gemeenschappelijk orgaan te worden toegezonden.
Uittreding kan niet eerder geschieden dan na één jaar na toezending van het in het eerste lid bedoelde besluit en met inachtneming van de periode van vijf jaar na de datum van oprichting of toetreding als bedoeld in artikel 48, lid 12, sub e van de Wet op het primair onderwijs.
Het gemeenschappelijk orgaan regelt de voorwaarden en de gevolgen van de uittreding.