Begripsbepalingen
1.In deze verordening wordt verstaan onder:
a.de wet :
de Huisvestingswet;
b.besluit :
het Huisvestingsbesluit;
c.eigenaar :
degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van woonruimte, daaronder begrepen de erfpachter, vruchtgebruiker, gerechtigde tot een appartementsrecht als bedoeld in artikel 106 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, of degene aan wie door een rechtspersoon het gebruiksrecht van een woonruimte is verleend;
d.huishouden :
een alleenstaande, dan wel twee of meer personen die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren;
e.huurprijs :
de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het enkele gebruik van een woonruimte, uitgedrukt in een bedrag per maand;
f.huurprijsgrens :
een huurprijs onder de maximale huurprijs waarboven men niet meer in aanmerking komt voor huurtoeslag, zoals omschreven in artikel 13, lid 1, sub a van de Wet op de huurtoeslag;
g.inwoning :
het bewonen van een woonruimte die deel uitmaakt van een woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen;
h.koopprijs :
de prijs die voor de enkele koop van een woonruimte daadwerkelijk is of zal worden betaald;
i.koopprijsgrens :
maximale koopprijs van woonruimte waarvoor een huisvestingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 7 van de Huisvestingswet. Deze grens wordt jaarlijks bepaald door het ministerie van VROM en Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland;
j.onttrekkingsvergunning :
de vergunning als bedoeld in artikel 31 van de Huisvestingswet;
k.onzelfstandige woonruimte :
woonruimte welke geen eigen toegang heeft en niet door een huishouden kan worden bewoond zonder dat dit daarbij afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte;
l.splitsingsvergunning :
de vergunning als bedoeld in artikel 33 van de Huisvestingswet;
m.woonruimte :
besloten ruimte die, als dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden.