Het betaald parkeren geschiedt door het in werking stellen van de parkeerapparatuur door middel van contante betaling door het inwerpen van muntstukken.
Indien de parkeerapparatuur ter plaatse geschikt is voor contante betaling kan de parkeerbelasting in munteenheden van € 0,10, € 0,20, € 0,50, € 1,00 en € 2,00 worden voldaan. Er dienen ten minste zoveel muntstukken in de parkeerapparatuur te worden geworpen als nodig zijn om de gewenste parkeerduur te kunnen parkeren.
Vervallen
In afwijking van het onder sub a en b van dit artikel gestelde kan de parkeerapparatuur, die daarvoor geschikt is, in werking worden gesteld middels de Pinpas (dip & go) en een parkeerbundel.
Belparkeren en pasparkeren
Separaat van de parkeerapparatuur kan achteraf betaald worden middels belparkeren en pasparkeren.
Indien bij betaald parkeren gebruik wordt gemaakt van parkeerapparatuur welke na inwerkingstelling een parkeerkaartje afgeeft, dient dit (originele) parkeerkaartje met de tijdsaanduiding aan de bovenzijde op een buitenaf duidelijk leesbare plaats achter de voorruit van het voertuig te worden aangebracht.
In afwijking van het onder sub a, b, c, en d van dit artikel gestelde kan, op de afgesloten parkeerterreinen en parkeergarages, de parkeerapparatuur in werking worden gesteld middels een speciaal daartoe verkrijgbare uitrijkaart.
Bij het in werking stellen van de parkeerapparatuur moeten de aanwijzingen en voorschriften, aangegeven op of bij de parkeerapparatuur, in acht worden genomen.
Van de verschuldigde belasting per tijdseenheid wordt op of bij de parkeerapparatuur kennisgegeven.