Naar hoofdinhoud
1 Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders oftewel de begroting, inclusief een meerjarenraming en de voorlopige jaarrekening, voorzien van een toelichting, aan de gemeenteraden van de in de regeling deelnemende gemeenten. 2 In de ontwerpbegroting en meerjarenraming, bedoeld in het vorige lid, wordt aangegeven de naar raming door elke gemeente verschuldigde bijdrage. De hoogte van deze bijdrage vloeit voort uit de begroting van de in artikel 3 bedoelde vennootschap. 3 De colleges en de gemeenteraden van de in de regeling deelnemende gemeenten kunnen het algemeen bestuur vóór 15 juni hun zienswijze over de in lid 1 bedoelde stukken doen toekomen. 4 Zo nodig verwerkt het algemeen bestuur de commentaren, waarin het gevoelen van de colleges c.q. de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten is verwoord, in een nota van wijzigingen. 5 Het algemeen bestuur stelt de begroting en de meerjarenraming, bedoeld in lid 1, vóór 1 juli vast en zendt deze binnen 2 weken daarna aan de colleges van de in de regeling deelnemende gemeenten. 6 Het dagelijks bestuur zendt de begroting en de meerjarenraming, bedoeld in lid 1, binnen 2 weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus van het jaar, voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten. 7 De raad van elke in de regeling deelnemende gemeente neemt de in de vastgestelde begroting en meerjarenraming, bedoeld in lid 1, voor de desbetreffende gemeente geraamde bijdrage, bedoeld in lid 2, op in de gemeentebegroting. 8 Indien aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over gaan tot toepassing van de artt. 194 en 195 van de Gemeentewet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel