Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 1:

Artikel 2:10

Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening Twenterand 2016

1.. Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, indien: het gebruik schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of het gebruik niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. 2.. Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet tenminste een vrije doorgang van 90cm wordt gelaten op voetpaden en van 5m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer. 3.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op tijdelijke spandoeken voor ideële reclame of voor de aankondiging van een evenement indien aan alle hierna volgende algemene regels in acht worden genomen: het voornemen van het plaatsen van een tijdelijk spandoek met ideele reclame dient minimaal twee weken voor de plaatsing schriftelijk te worden gemeld aan het college met vermelding van de locatie en de periode; de spandoeken mogen alleen worden geplaatst op de door het college aangewezen plaatsen; het is verboden de spandoeken te gebruiken voor het uiten van handelsreclame. spandoeken moeten voorbedrukt en vervaardigd zijn van sterk en weerbestendig materiaal; spandoeken mogen maximaal voor een periode van twee aaneengesloten weken worden geplaatst; spandoeken mogen de verkeersveiligheid op geen enkele wijze in gevaar brengen; spandoeken mogen niet direct of indirect kunstmatig worden verlicht en ook niet van fluoriserend of reflecterend materiaal zijn voorzien; 4.. eventuele beschadigingen van gemeentelijke eigendommen of aan eigendommen van derden, die zijn ontstaan door het aanbrengen, de aanwezigheid of het verwijderen van spandoeken, zijn voor rekening van de degene die verantwoordelijk is voor de plaatsing van een spandoek. 5.. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden. 6.. Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. 7.. In afwijking van het zesde lid kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning verlenen voor het in het eerste lid bedoelde gebruik, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht . 8.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18; en overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend. 9.. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken , artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 , of de provinciale wegenverordening. 10.. Op de ontheffing bedoeld in het zesde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel