Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 16

Artikel 16:1:3:1

Verantwoording

Onderdeel van Ambtenarenreglement 1995 Haarlem

Lid 1 De straf wordt niet opgelegd, dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld, zich zo spoedig mogelijk, nadat het strafbare feit het college bekend is geworden, mondeling ten overstaan van het gezag dat bevoegd is tot oplegging van de straf of ten overstaan van een door het gezag aangewezen vertegenwoordiger te verantwoorden. De oproeping tot deze verantwoording geschiedt schriftelijk, met vermelding van het feit, waarvoor de bestraffing wordt overwogen. Lid 2 Met kennisgeving aan het college kan de ambtenaar zich tijdens de verantwoording, bedoeld in het eerste lid, doen bijstaan. In dat geval wordt aan degene, die de bijstand verleent desgewenst tevoren inzage gegeven van de op de zaak betrekking hebbende stukken, voor zover het college deze voor de bijstand van belang achten. Lid 3 Van de verantwoording wordt verslag opgemaakt, dat, alvorens een beslissing wordt genomen omtrent het al of niet opleggen van een straf, aan de ambtenaar wordt voorgelezen en daarna wordt getekend door hem, te wiens overstaan de verantwoording heeft plaatsgevonden en door de ambtenaar, die tevens een afschrift van het verslag ontvangt. Weigert de ambtenaar te tekenen, dan wordt daarvan op het verslag melding gemaakt met zo mogelijk, vermelding van de redenen.

Rechtspraak bij dit artikel