Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.8

Plaatsbezetting

Onderdeel van Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten

1.. De vergunninghouder neemt de staan- of ligplaats persoonlijk in. 2.. Het voorgaande lid is niet van toepassing indien de plaats wordt ingenomen door de levenspartner van de vergunninghouder, mits deze beschikt over een partnerkaart. 3.. De vergunninghouder neemt de staan- of ligplaats in gedurende een door het college te bepalen aantal dagen per week. 5 4.. Het college kan van het voorgaande lid ontheffing verlenen: a.. ingeval van ziekte of bijzondere omstandigheden: voor de duur daarvan en b.. ingeval van vakantie : voor de duur van maximaal zes weken per kalenderjaar, met dien verstande dat voor seizoensstaanplaatsen deze maximumtermijn wordt berekend naar rato van de duur dat per kalenderjaar staanplaats wordt ingenomen. 5.. Indien het een seizoensplaats betreft die voor kortere duur dan één maand wordt ingenomen kan geen gebruik worden gemaakt van de in het voorgaande lid onder a en b genoemde ontheffingsmogelijkheden. 6.. Het is de vergunninghouder verboden gelijktijdig een andere staan- of ligplaats in te nemen, een plaats op een markt in te nemen, of te venten. 7.. Op de houder van een partnerkaart is het derde, vierde, vijfde en zesde lid van overeenkomstige toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel