Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 9

Algemene regels individuele voorziening

Onderdeel van Beleidsregels Jeugdhulp Den Helder 2016

1.. Een jeugdige komt slechts in aanmerking voor een individuele voorziening zoals bedoeld in artikel 2, lid 2 van de Verordening, indien: naar het oordeel van het college de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en de personen die tot zijn sociale omgeving behoren, ontoereikend zijn; en er geen oplossing gevonden kan worden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van een basisvoorziening; of geen oplossing gevonden kan worden voor zijn hulpvraag door, al dan niet gedeeltelijk, gebruik te maken van voorliggende of andere voorzieningen die buiten de Jeugdwet vallen. 2.. Het woonplaatsbeginsel wordt toegepast bij de toekenning van een individuele voorziening 3.. Het college kent een individuele voorziening toe voor zover met betrekking tot de jeugdige een verwijzing is afgegeven via de huisarts, medisch specialist, jeugdarts, de rechter of gecertificeerde instelling. 4.. Bij de bepaling van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders of personen die tot zijn sociale netwerk behoren, zal het college beoordelen of men zelf in staat geacht mag worden een oplossing te vinden voor zijn hulpvraag door te kijken naar alle leefdomeinen aan de hand van de volgende punten: Screening van de eigen kracht van het netwerk aan de hand van een instrument. Screening van de eigen kracht van het netwerk aan de hand van een instrument. Uitsluiten dat er sprake is van andere achterliggende problematiek die ernstiger is dan de gestelde hulpvraag. 5.. Het college houdt bij de beoordeling welke individuele voorziening noodzakelijk is redelijkerwijs rekening met: de persoonlijke wensen van de jeugdige en zijn ouders; de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel