Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 8:

Artikel 26

– Uittreding

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling intergemeentelijke uitvoeringsorganisatie

1.. Een deelnemer kan vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze regeling uittreden door een daartoe strekkend besluit van die deelnemer. 2.. De deelnemers beslissen na toestemming van hun raden over de afwikkeling van de financiële en organisatorische gevolgen van de uittreding, waaraan de uittredende deelnemer gebonden is (uittredingsplan). 3.. Indien een deelnemer uit de regeling wenst te treden, zal het Bestuur in het kader van de in het tweede bedoelde afwikkeling van de financiële gevolgen daarvan op basis van een sociaal plan personeel aan deze deelnemer toewijzen en is deze deelnemer een compensatie verschuldigd voor de overige rechten en verplichtingen. 4.. De uittreding kan slechts plaatsvinden, met inachtneming van een termijn van aanzegging van het besluit aan de andere deelnemers van minimaal één jaar, met ingang van 1 januari van het opvolgende jaar. 5.. Het bestuur besluit bij unanimiteit tot het vaststellen van een uittredingsplan. Het Bestuur kan een onafhankelijke derde opdracht geven een uittredingsplan op te stellen, nadat op de inhoud van deze opdracht instemming is verkregen van het college van de uittredende deelnemer. De financiële gevolgen van de uittreding zullen voor rekening van de uittredende partij te komen. De kosten van het inschakelen van de onafhankelijke derde zijn voor rekening van de uittredende deelnemer(s).

Rechtspraak bij dit artikel