De hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij beëindiging of intrekking van de uitkering, dan wel een ander inkomen dan een uitkering als bedoeld in deze regeling wordt vastgesteld op het bedrag als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a en b vermeerderd met 50% van het bedrag waarmee het inkomen inclusief vakantiegeld meer bedraagt dan de van toepassing zijnde uitkering, maar niet meer dan het bedrag dat ingevolge het bepaalde in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor beslag in aanmerking zou komen.
HOOFDSTUK 2 › Paragraaf 2.1
Artikel 11.
Vaststelling van de duur en de hoogte van de maandelijkse aflossingscapaciteit bij uitstroom uit de uitkering en bij debiteuren die geen recht hebben op een uitkering
Onderdeel van Beleidsregels terugvordering en verhaal gemeente Barneveld 2013