De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
degene die zich gedraagt in strijd met de artikelen 2:1,
2:47 en 2:48 een verbod opleggen om zich gedurende een in
dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste 14 dagen te
bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de
nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad
(verblijfsontzegging).
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan
degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste
lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen een jaar na
het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij
zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid
genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende
een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste
zesentwintig weken te bevinden op in dat verbod aangewezen
plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde
gedragingen hebben plaatsgehad.
De burgemeester beperkt het in het eerste en tweede lid
genoemde verbod, indien dat in verband met de persoonlijke
omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het eerste en
tweede lid.
Het bepaalde in de leden 1 en met 4 van dit artikel is
eveneens van toepassing op overtredingen op grond van de
artikelen 141, 184, 267, 300 t/m 306, 310, 311, 350, 426 en
453 Wetboek van Strafrecht.
HOOFDSTUK 2. › AFDELING 15.
Artikel 2:78
Verblijfsontzegging/gebiedsverbod in verband met orde en veiligheid
Onderdeel van Algemene plaatselijke Verordening 2016