Naar hoofdinhoud

Artikel 7

- Bijzondere bijstand 18 tot en met 20 jarigen

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand en declaratieregeling maatschappelijke participatie Purmerend 2016

1.. Ter uitwerking van artikel 12 van de wet wordt bij de beoordeling van de noodzakelijke kosten van het bestaan rekening gehouden met alle omstandigheden van de belanghebbenden waaronder het te gelde kunnen maken van een onderhoudsbijdrage en de vaststelling van de noodzaak tot zelfstandige huisvesting. 2.. Zelfstandige huisvesting wordt in elk geval noodzakelijk geacht indien: beide ouders zijn overleden; beide ouders in het buitenland wonen en zij niet in staat zijn hun onderhoudsplicht na te komen; de belanghebbende op grond van een officiële maatregel uit huis geplaatst is; belanghebbende voorafgaand aan de bijstandsaanvraag langer dan één jaar de beschikking had over zelfstandige huisvesting; belanghebbende niet officieel uit huis geplaatst is, maar naar het oordeel van de casemanager (na onderzoek en onderbouwd met eventuele bewijsstukken) het niet verantwoord is dat belanghebbende bij zijn ouders woont; belanghebbende de zorg heeft over ten laste komende kinderen. 3.. De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt ten hoogste: voor de zelfstandig wonende alleenstaande van 18, 19 of 20 jaar het verschil tussen de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm en 60% van de bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 21 onderdeel b van de wet. voor zelfstandig wonende alleenstaande ouders van 18, 19 of 20 het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 21 onderdeel a van de wet. voor zelfstandig wonende samenwonenden of gehuwden met een of twee meerderjarige personen van 18, 19 of 20 jaar zonder ten laste komende kinderen, het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm en 90% van de bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 21 onderdeel b van de wet. voor zelfstandig wonende samenwonenden of gehuwden met een of twee meerderjarige personen van 18, 19 of 20 jaar met ten laste komende kinderen, het verschil tussen de van toepassing zijnde bijstandsnorm en de bijstandsnorm voor gehuwden als bedoeld in artikel 21 onderdeel b van de wet. de bijzondere bijstand kan op een lager bedrag worden vastgesteld bij andere woonsituaties. 4.. De noodzaak van de bijzondere bijstandsverlening wordt telkens na een periode van maximaal 6 maanden opnieuw beoordeeld en vastgesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel