Indien een aanvrager een persoonsgebonden budget ontvangt en met de middelen uit dit budget een tweedehands voorziening wil aanschaffen, dient hij dit bij zijn aanvraag kenbaar te maken. De omvang van het PGB wordt in dat geval vastgesteld aan de hand van de afschrijvingssystematiek zoals bedoeld in artikel 9.2, derde lid. Het college gaat tot terugvordering over van het verschil tussen het aldus vastgestelde PGB en de feitelijke kosten van de tweedehands voorziening.
Indien de aanvrager een PGB ontvangt voor een nieuwe voorziening en met de middelen uit dit budget een tweedehands voorziening heeft aangeschaft zonder dit aan het college kenbaar te hebben gemaakt, vordert het college het verschil terug tussen het ontvangen PGB en de feitelijke kosten van de tweedehands voorziening.
Bij de berekening van de door de aanvrager terug te betalen bedragen zoals bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft een bedrag van maximaal € 250,- buiten beschouwing.
Artikel 9.6 Terugvordering van een persoonsgebonden budget bij hulp bij het huishouden
Indien de aanvrager een pgb ontvangt en met de geldsom hulp bij het huishouden
inkoopt, en het verschil tussen het pgb en de feitelijke kosten van de voorziening
bedraagt € 250,- of minder, vindt geen terugvordering plaats.
Indien het verschil, zoals bedoeld in het eerste lid, hoger is dan € 250,- wordt het meerdere van de aanvrager teruggevorderd.
Hoofdstuk 9
Artikel 9.5
Terugvordering van een persoonsgebonden budget bij de aanschaf van een tweedehands voorziening
Onderdeel van Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Renkum februari 2010