Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 5.

Bedragen persoonsgebonden budget bij koop en huur van rolstoel en scootmobiel

Onderdeel van Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Zoeterwoude 2016

Lid 1. Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel en scootmobiel omvat twee bestanddelen: een eenmalige vergoeding voor de aanschaf inclusief standaard fabrieksopties (A) en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering (B). Het persoonsgebonden budget bedraagt, rekening houdend met de kosten voor verzekering en onderhoud voor de gehele gebruiksperiode, als bedoeld in het tweede lid, ten hoogste: Type voorziening Aanschaf (A) Verzekering en onderhoud voor gehele periode (B) Totaal (A+B) 1 Duwwandelwagen voor continu gebruik € 2.950,00 € 500,00 € 3.450,00 2 Handbewogen rolstoel voor Incidenteel / kortdurend gebruik € 400,00 € 125,00 € 525,00 3 Handbewogen rolstoel voor (semi-)permanent / algemeen gebruik € 1.125,00 € 250,00 € 1.375,00 4 Handbewogen rolstoel voor actief gebruik € 2.100,00 € 500,00 € 2.600,00 5 Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik; primair binnen, maar ook om het huis € 6.600,00 € 2.400,00 € 9.000,00 6 Elektrische rolstoel voor (semi-)permanent gebruik; primair buiten, maar ook binnenshuis € 7.900,00 € 2.350,00 € 10.250,00 7 Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (8 km/uur) € 2.350,00 € 950,00 € 3.300,00 8 Scootmobiel voor gebruik in de woonomgeving (10 km/uur) € 2.700,00 € 1.100,00 € 3.800,00 9 Scootmobiel voor langere afstanden en intensief gebruik (15 km/uur) € 3.600,00 € 1.350,00 € 4.950,00 Lid 2. Indien de inwoner het persoonsgebonden budget aanwendt voor het huren van een hulpmiddel ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag (A+B), gedeeld door het aantal gebruiksjaren (voor een hulpmiddel betreft dit 7 jaar). Lid 3. De restwaarde van het hulpmiddel wordt als volgt bepaald: Bij verhuizing of overlijden of niet meer adequaat zijn van de voorziening Restwaarde als percentage van het verstrekte aanschafgedeelte van het persoonsgebonden budget Eerste jaar 85% Tweede jaar 75% Derde jaar 55% Vierde jaar 40% Vijfde jaar 30% Zesde jaar 20% Zevende jaar 10%

Rechtspraak bij dit artikel